Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Gilden

Inventaris van de archieven van de Gilden, de beurzen en de rederijkerskamers, 1443-1917

0509
J.C. Overvoorde (Leiden 1922)
Erfgoed Leiden en Omstreken
1 januari 1922
Deze toegang is geschreven in hetDutch; Flemish

Beschrijving van het archief

Titel van het archief

Gilden

1443-1917

Fysieke beschrijving

10,45 meter 1542 inventarisnummers

Instelling

Erfgoed Leiden en Omstreken (v/h Regionaal Archief Leiden)

Archiefvormers

  • Rederijkerskamers, 1533-1652
  • Besturen van de Gilden, 1443-1917
  • Gecommitteerden tot de zaken der Beurzen en Fondsen, 1643-1813

Context

Inhoud en structuur

Voorwaarden voor raadpleging en gebruik

Verwant materiaal

Beschrijving van de onderliggende componenten

    • N.B.: De apothekers waren oorspronkelijk bij de vettewariers ingedeeld, waartoe ook de olieverkopers in het klein moesten toetreden (Gerechtsdagboek 1618 H 341v.) en waarvan de apothekers in 1661 gescheiden werden. In 1662 werd een gilde-proef voorgeschreven, waarvan echter de reeds fungerende leden werden vrijgesteld. Ordonnantie 1661 zie Gerechtsdagboek 2I fol. 203; ampliaties Gerechtsdagboek 1618 H fol. 341v. en 1781 4T fol. 321 a. Zie ook: A.I. Bierman, M.J. van Lieburg en D.A. Wittop Koning, Biografische index van Nederlandse apothekers tot 1867 (Rotterdam 1992) [Alg. Bibliotheek cat.nr. 10022 d, stz.].
    • N.B.: Deze waren oorspronkelijk bij het mandenmakersgilde ingedeeld, waarvan zij in 1647 zijn gescheiden (Gerechtsdagboek 1647 Z fol. 35). Zij ontvingen een ambachtsbrief in 1571, waarbij ook de bezemverkopers bij hen werden ingedeeld (inv.nr. 19; Gerechtsdagboek 1596, C fol. 356). Ordonnantie Gerechtsdagboek 1704 3D fol. 34v. en ampliatie Gerechtsdagboek 1709 3T fol. 265v.
    • openI.D Bidders
      N.B.: Zie de ampliaties Gerechtsdagboek 1742 4B fol. 131; 1751 4F fol. 145; 1755 4G fol. 286; 1761 4 I fol. 127 en 182 (ingetrokken); 1762 4I fol. 340; 1764 4K fol. 293 en 1788 4IJ fol. 189. Het gilde had een blazoen, waaraan de nieuwbenoemde hoofdlieden een schildje hingen. ln 1755 waren er 13 wapentjes op en 28 schildjes aan het blazoen. Toen werd met de gewoonte gebroken. Zie ook Bibl. cat.nr. 59300/10 e.v. plano.
    • N.B.: Ordonnantie Gerechtsdagboek 1688 2W fol. 229 en ampliaties Gerechtsdagboek 1742 4B fol. 143, 1751 4F fol. 180 en 1791 4Z fol. 263. Het gilde bezat een gildehuis aan de Oude Vest, hoek Paradijssteeg, dat in 1685 is verkocht. Gerechtsdagboek 1685 2V fol. 175. Daarna fungeerde de kapel van het Jeruzalemshofje aan de Cellebroersgracht als zodanig. De gevelsteen die daaraan herinnerde is overgebracht naar De Lakenhal.
    • N.B.: De bierverkopers waren eerst ingedeeld bij het herbergiersgilde, waarvan zij in 1742 werden gescheiden. Het gilde werd in 1790 opgeheven, waarbij de bierverkopers weer bij de herbergiers werden ingedeeld. Gerechtsdagboek 1790 4Z fol. 11.
    • N.B.: Tot het gilde werden ook de papierverkopers toegelaten (Gerechtsdagboek 1683 2K fol. 146v.) en hiertoe behoorden ook de boekbinders en boekdrukkers (Gerechtsdagboek 1726 3R fol. 238v.). Ordonnantie Gerechtsdagboek 1726, 3R fol. 238v. en ampliaties 1729 3T fol. 227; 1775 4Q fol. 284 en 1783 4V fol. 159. Dit archief werd blijkens het Jaarverslag van het Gemeentearchief 1872 gekocht uit de boedel van J.T. Bodel Nijenhuis. Zie ook I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, delen V1 en V2 (Amsterdam 1978) voor de boekverkopers Luchtmans en Van der Aa, aucties enz. [A.B. 6645 d, stz.].
    • N.B.: Bij de bakkers waren de meelverkopers gevoegd (zie Gerechtsdagboek 1704 3D fol. 5). De koekbakkers behoorden er vroeger ook bij, doch in 1659 werd buiten hen het koekbakken nog slechts aan de reeds aanwezige bakkers toegestaan (Gerechtsdagboek 2G fol. 318v. en 2H fol. 16, 17 enz.). Het gildehuis, Langebrug 52, werd, blijkens de gevelsteen, in 1746 betrokken. Ordonnantie Gerechtsdagboek 1581 A fol. 142v. en 1596 D fol. 79; ampliaties Gerechtsdagboek 1587 A fol. 604v.; 1627 M fol. 158v.; 1704 3D fol. 5; 1716 3L fol. 97v.; 1757 4H fol. 100; 1788 4Y fol. 256; 1791 5A fol. 19.
    • N.B.: Het gildehuis stond aan de Oude Vest (zie Gerechtsdagboek 1792 5A fol. 190.); het interieur is overgebracht naar De Lakenhal. Ordonnanties Gerechtsdagboek 1704 3C fol. 213v. en 1755 4G fol. 290. Een gilde van brouwersknechts ontving een ampliatie in 1787 (Gerechtsdagboek 4X fol. 369) en werd opgeheven in 1789 (Gerechtsdagboek 4Y fol. 322).
    • N.B.: Tot dit gilde behoorden oorspronkelijk ook de barbiers, die later hiervan werden afgescheiden en in 1806 verplicht werden om toe te treden tot het pruikenmakersgilde (Gerechtsdagboek 5K fol. 49). Ordonnantie Gerechtsdagboek 1593 B fol. 347v. en ampliaties Gerechtsdagboek 1702 3B fol. 130 en 1765 4L fol. 65. Zie ook Ch. Thiels, 'De Leidse chirurgijns en hun kamer boven de Waag'. Met bijlage van A.M. Luyendijk-Elshout, 'De instrumenten in de kast', in: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 31 (1980) (Bibl. Leiden en Omgeving cat.nr. 59430/1 pf).
    • N.B.: In 1600 (Gerechtsdagboek E fol. 190) wordt het gildehuis vermeld, dat in 1625 (Grote Bewijzen deel F fol. 370) in de Boomgaardsteeg stond (zie E. Pelinck, 'Het Leidse droogscheerdersgilde en de beker van Willem van Heemskerk', in Leids Jaarboekje 42 (1950) 113-121. Het gilde wordt ook Lakenbereidersgilde genoemd. Ordonnanties: Gerechtsdagboek 1583 A fol. 241; 1591 B fol. 5v. en 172v.; 1623 K fol. 309v. en 1638 S fol. 21 en 21v.; ampliaties: 1608 F fol. 301 en 1651 2B fol. 24v. N.B.: 'Posthumus' gevolgd door een Romeins cijfer en arabisch getal is een verwijzing naar Dr. W.N. Posthumus, Bronnen tot de Geschiedenis van de Leidsche Textielnijverheid deel I-VI ('s-Gravenhage 1911 e.v.).
    • N.B.: De glasverkopers behoorden tot 1660 onder het tinnegietersgilde; hen werd toen geweigerd om een eigen gilde te vormen: Gerechtsdagboek 1660 2H fol. 222v. Ampliaties: Gerechtsdagboek 1702 3B fol. 171v., 1775 4Q fol. 219 en 1777 4R fol. 55, en voor de glasschrijvers Gerechtsdagboek 1624 L fol. 81v. In 1648 vormden de schilders, voor zover al lid van dit gilde, een eigen gilde; slechts een enkeling, zoals Pieter Couwenhorn, die vooral ook bekend geworden is door zijn werk op gebrandschilderd glas, verliet het gilde of organiseerde zich dubbel.
    • N.B.: De uitdragers, die zilver verkopen, werden verplicht tot toetreden (Gerechtsdagboek 1616 H fol. 202v.). De keurkamer was gevestigd boven de nieuwe Rijnsburgerpoort (Gerechtsdagboek 1644 W fol. 86) en werd later van de Blauwe Poort verhuisd naar het Prinsenhof (Burgemeesters- en Gerechtsdagboek van Publieke Zaken D fol. 247 en nog later naar de bovenverdieping van het gebouw grenzend aan de westkant van de Saaihal (=thans Lodewijkskerk; dus ter plaatse van de huidige pastorie), tot de Kruitramp van 1807 dit pand totaal verwoestte.
    • N.B.: Hiertoe behoren ook de meelverkopers. Ampliaties Gerechtsdagboek 1666 2L fol. 225 en 1806 5K fol. 54 (betreffende de bijdragen).
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de brandewijn- en tabakverkopers, aan wie in 1659 (Gerechtsdagboek 2H fol. 182) werd geweigerd om zich af te scheiden. Er werd toen bepaald dat in het bestuur van het gilde naast drie herbergiers steeds twee brandewijnverkopers zouden benoemd worden (Gerechtsdagboek 1659 2G fol. 262). Tot de brandewijnverkopers behoorden ook de chocolade- en koffieverkopers (Gerechtsdagboek 1667 2L fol. 278). De bierverkopers en vaantjeslieden werden, na de opheffing van hun gilde in 1790, met de herbergiers verenigd (Gerechtsdagboek 4Z fol. 11). Het gilde had een gildekamer in de Doelen (Gerechtsdagboek 1667 2Z fol. 68). Ampliatie voor de tabakverkopers Gerechtsdagboek 1743 4C fol. 23. Ordonnanties Gerechtsdagboek 1743 4C fol. 89v. Verdeling van de ambten Gerechtsdagboek 1684 2V fol. 52. Op een aantal registers in het Secretariearchief 1574-1816 betreffende brandewijnverkopers, herbergiers, vaantjeshouders enz. is een index op de studiezaal aanwezig.
    • N.B.: Van dit gilde zijn geen archiefstukken bewaard. In 1757 waren hierbij ook de hoedenverkopers ingedeeld. Ampliaties Gerechtsdagboek 1744 4C fol. 137 en 1767 4M fol. 129.
    • N.B.: Bij de hozenverkopers werden de fraamwerkers gevoegd, die in 1724 met de kousenverkopers tot een gilde verenigd waren (Burg. notulen 1724 fol. 142 enz.) en in 1732 hiervan gescheiden werden (Gerechtsdagboek 3V fol. 121). Zij waren, evenals de lijwatiers, bevoegd om ook handschoenen te verkopen (Gerechtsdagboek 1663 2K fol. 143v. en 1668 2N fol. 41). Ordonnantie Gerechtsdagboek 1663 2K fol. 143v. en ampliaties 1738 3Z fol. 110v.; 1750 4E fol. 385; 1752 4F fol. 234 en 1778 4S fol. 79 en 92.
    • N.B.: Van dit gilde zijn geen archiefstukken bewaard. Ordonnanties Gerechtsdagboek 1667 2M fol. 82v. en ampliatie 1771 4O fol. 185.
    • N.B.: De lijsten- en paneelmakers werden in 1627 tot toetreding tot dit gilde verplicht (Gerechtsdagboek 1627 M fol. 192; zie ook: schilders), evenals de ebbenhoutwerkers in 1655 (Gerechtsdagboek 2E fol. 83v.), de stoofmakers in 1664 (2K fol. 235v.) en de Spaanse stoelenmakers in 1674 (2Q fol. 23). Een vereniging met de timmerlieden en metselaars werd geweigerd (Gerechtsdagboek 1686 2V fol. 179). Een stads- en meesterteken werd voorgeschreven in 1670 (Gerechtsdagboek 2O fol. 132), doch weer afgeschaft in 1757 (Gerechtsdagboek 4H fol. 93). Over de gildegrenzen zie: Gerechtsdagboek 1639 S fol. 259v. en 1651 2B fol. 141v. Ordonnantie Gerechtsdagboek 1590 B fol. 29 (bij de oprichting) en ampliaties Gerechtsdagboek 1646 Y fol. 153v.; 1774 4P fol. 344; 1777 4R fol. 249; 1778 4S fol. 79 en 1787 4Y fol. 9.
    • N.B.: Deze werden in 1648 bij de fijnschilders gevoegd, maar mochten een eigen hoofdman aanwijzen; de verplichte bijdrage verviel in 1648 (Gerechtsdagboek Z fol. 210v.). Ordonnantie Gerechtsdagboek 1659 2H fol. 9v., 121v. en 252v.
    • N.B.: Het maken van kinderkleren en het werken in gestikte lijnen was oorspronkelijk vrij van het gilde (Gerechtsdagboek 1630 N fol. 92v.), doch in 1660 werden de kinderkleermakers tot het gilde toegelaten (Gerechtsdagboek 2H fol. 259v.). Het gildehuis stond oorspronkelijk in Maredorp op de hoek van de Jan Vossensteeg (Gerechtsdagboek 1593 A fol. 330 en 357v.). Dit werd in 1610 verkocht (Gerechtsdagboek G fol. 186v.). Later werd waarschijnlijk het huis aan de Papenstraat nr. 7 als gildehuis gebruikt. Ampliaties Gerechtsdagboek 1584 A fol. 321v. en 1758 4H fol. 251.
    • N.B.: Van dit gilde zijn geen bescheiden aanwezig. Ampliaties Gerechtsdagboek 1727 3S fol. 183v.; 1735 3X fol. 89; 1751 4F fol. 159 en 1774 4Q fol. 74.
    • N.B.: Ordonnanties Gerechtsdagboek 1582 A fol. 165; 1682 2T fol. 19 en 19v. en 1734 3X fol. 42. Ampliaties Gerechtsdagboek 1705 3D fol. 134v.; 1708 3F fol. 171v.; 1716 3L fol. 90v. en 1765 4H fol. 369.
    • N.B.: De broederschap van Sint Nicolaas van de korenkopers ontving in 1560 een ordonnantie (inv.nr. 1187). Er behoorden toen ook toe de moutmakers, de olieslagers en de wijntappers. Een gedeelte hiervan ging later over naar het vettewariersgilde en naar het herbergiersgilde.
    • N.B.: Ook wel vermeld als gilde van de gebreide goederen (Gerechtsdagboek 1678 2B fol. 113v.). De fabrikanten van geweven kousen waren vrijgesteld van de proef, doch hadden toch het proefgeld te betalen (Gerechtsdagboek 1717 3M fol. 91v.). Ordonnanties Gerechtsdagboek 1593 B fol. 327v.; 1595 C fol. 151 en 1686 2W fol. 40v. De kousenverkopers waren ingedeeld bij de hozenverkopers en fraamwerkers (afd. 18).
    • N.B.: Dit gilde werd opgericht in 1662. (Gerechtsdagboek II fol. 286v.). In 1724 werden de fraamwerkers hierbij gevoegd, die in 1732 hiervan weer gescheiden werden en bij de hozenverkopers werden ingedeeld. De winkeliers in gebreide en geweven kousen bleven bij het kousenverkopersgilde (Burgemeestersnotulen 1724 fol. 142; Gerechtsdagboek 1732 3V fol. 121 en 171v.). Van dit gilde zijn geen bescheiden aanwezig.
    • N.B.: Hiertoe behoorden de kraankinderen of weetwerkers, de boterkruiers enz. Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1582 A fol. 165v.
    • openI.AC Kuipers
      N.B.: Ordonnanties: 1549 Aflezingboek B fol. 158; Gerechtsdagboek 1585 A fol. 334v. en 401v.; 1622 K fol. 63; 1650 AA fol. 295; 1677 RR fol. 51 en 1694 YY fol. 112. Ampliaties: Gerechtsdagboek 1730 3V fol. 5; 1715 4Q fol. 220 en 1783 4W fol. 15. Zie ook inv.nrs. 207 en 247.
    •  I.AD Lijndraaiers
      N.B.: In 1606 (Gerechtsdagboek F fol. 161) werd het recht om te Leiden buiten de vrije jaarmarkten touw te verkopen uitsluitend voorbehouden aan de te Leiden gevestigde lijndraaiers en in 1665 (Gerechtsdagboek 1665 2L fol. 72) werd dit vernieuwd onder bepaling dat de lijndraaiers een dubbeltal zouden opmaken voor twee door het Gerecht te benoemen hoofdlieden, die de overtreders zouden bekeuren. In 1682 (Gerechtsdagboek 2T fol. 9) verzochten de lijndraaiers om hen met de touwverkopers tot een gilde te maken, waarop het Gerecht hun verzocht om een dubbeltal voor te dragen voor de benoeming van deken en hoofdlieden. Bescheiden zijn niet bewaard.
    • N.B.: Tot dit gilde behoorden ook de beddenmakers en de tijkverkopers. Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1691 2X fol. 118v. en ampliaties: Gerechtsdagboek 1733 3W fol. 75v.; 1759 4H fol. 365 en 368; 1767 4M fol. 151 en 1780 4T fol. 202.
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de tafellakenwevers (Gerechtsdagboek 1581 A fol. 137). De servetwerkers werden er in 1628 in opgenomen (Gerechtsdagboek 1628 M fol. 265). De vlasverkopers, die eerst ook tot dit gilde behoorden, werden er in 1663 van gescheiden (Gerechtsdagboek 1663 2K fol. 120v.). Het gilde vergaderde in de Fusteinhal (Burgemeestersnotulen 1669).
    • N.B.: Tot dit gilde behoorden ook de pakgarentwijnders. Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1662 2K fol. 48v.
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de bezemmakers, die in 1647 hiervan gescheiden werden (Gerechtsdagboek 1647 Z fol. 35). De mandenmakers verzochten in 1583 om een ordonnantie (Gerechtsdagboek A fol. 236).
    • N.B.: Ook rouwmantelverhuurders genoemd. Het gilde werd in 1670 opgericht. Ampliaties: Gerechtsdagboek 1765 4L fol. 71 en 4O fol. 160.
    • openI.AJ Molenaars
      N.B.: Het aantal leden werd in 1725 tot 8 beperkt (Gerechtsdagboek 1725 3R fol. 15v.). Het gildehuis wordt vermeld in 1732 (Gerechtsdagboek 3V fol. 137v.). Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1599 E fol. 101v. en ampliaties: Gerechtsdagboek 1587 A fol. 604v. en 1778 4S fol. 223.
    • N.B.: Dit gilde werd in 1682 opgeheven en bij de oude schoenmakers ingedeeld (Gerechtsdagboek 2T fol. 17).
    • N.B.: Dit gilde werd opgericht in 1752 (Gerechtsdagboek 1752 4F fol. 315). In 1806 werden de barbiers verplicht om toe te treden en om gildegeld te betalen (Gerechtsdagboek 5R fol. 49). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1770 4N fol. 307 en 1775 4Q fol. 189. Bescheiden van dit gilde zijn niet aanwezig.
    • N.B.: Ook scheepmakers genoemd. Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1663 2K fol. 150.
    • N.B.: Het gilde wordt gewoonlijk Sint Lucasgilde genoemd. Hiertoe behoorden ook de makers van geplamuurde doeken en panelen (Gerechtsdagboek 1676 2Q fol. 216v.) en de beeldhouwers en gieters (Gerechtsdagboek 1688 2W fol. 221v.). De verplichte bijdrage van de kladschilders verviel in 1648 (Gerechtsdagboek Z fol. 210v.). Ampliaties Gerechtsdagboek 1769 4N fol. 193 en 1795 5A fol. 61. De schilders hadden hun tekenkamer in het gebouw naast de Saaihal en na 1701 boven de Rijnsburgerpoort. Zie ook inv.nrs. 691-693 (kladschilders).
    • openI.AP Schippers
      N.B.: Hierbij werden onderscheiden: 1. de Grootschippers op Amsterdam, waartoe behoorden de schippers op Dordrecht en Walcheren, en waarmee in 1742 (Gerechtsdagboek 4B fol. 219v.) het mengelveer op Haarlem werd verenigd; 2. de Kaagschippers op Amsterdam; 3. de verdere beurtschippers; en 4. de schippers varende met speel- of tentschuiten. Ordonnanties: op de broeder- en zusterschap 1517 en 1568; op de Grootschippers Gerechtsdagboek 1585 A fol. 362 en ampliatie Gerechtsdagboek 1783 4V fol. 189; op de schippers op Amsterdam Gerechtsdagboek 1594 C fol. 42 en op de schippers met speelschuiten Gerechtsdagboek 1750 4E fol. 443. Zie ook Archieven van de Kerken inv.nrs. 1087 en 1088.
    • N.B.: Tot dit gilde behoorden ook de schoenlappers, de looiers, de tobbeerders en de huidenkopers (ordonnantie 1539 inv.nr. 1063). In 1682 (Gerechtsdagboek 2T fol. 17) werden de oude schoenmakers en de klompenmakers hiermee tot één gilde verenigd, doch later werden deze hiervan weer gescheiden, en in 1737 werd bepaald dat oude en nieuwe schoenmakers wederkerig tijdelijk nog voor minder geld elkanders gilde konden winnen. De zeemtouwers en perkamentmakers waren tot een bijdrage aan het gilde verplicht (Gerechtsdagboek 1790 4Z fol. 11). Ordonnanties: Gerechtsdagboek 1592 B fol. 185; 1595 C fol. 279v.; 1596 D fol. 45 en 1680 2S fol. 186; ampliaties Gerechtsdagboek 1708 3F fol. 72; 1737 3Y fol. 177; 1741 4B fol. 79; 1746 4D fol. 212; 1756 4G fol. 387 en 389; 1767 4M fol. 189 en 1787 4Y fol. 20.
    • N.B.: Het gilde had een gildekamer in de Baaihal (Gerechtsdagboek 1680 2S fol. 147v.). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1733 3W fol. 16v. en 1790 4Z fol. 197.Van dit gilde zijn geen bescheiden aanwezig.
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de messenmakers, slotenmakers, ketelboeters en kammakers (Ordonnantie 1546, inv.nr. 1086), de geweerverkopers, spijkermakers en scharenslijpers (Gerechtsdagboek 1613 H fol. 26v. 1618 H fol. 308 en 343), de roer- en busmakers (Gerechtsdagboek 1677 2R fol. 82), de vervaardigers van droogscheerdersscharen (Gerechtsdagboek 1656 2F fol. 149) en de draadtrekkers (Gerechtsdagboek 1661 2I fol. 167); de blikslagers werden in 1678 hierbij ingedeeld (Gerechtsdagboek 2R fol. 96). De zwaardvegers waren vrij van het gilde (Gerechtsdagboek 1599 E fol. 58) en evenzo de spoormakers (Gerechtsdagboek 1649 2A fol. 25v.). Winkeliers in ijzerwaren mochten geen schoorstenen of sloten verkopen (Gerechtsdagboek 1755 4G fol. 320). Een meesterteken was voorgeschreven voor de slotenmakers en de messenmakers (Gerechtsdagboek 1659 ZH fol. 28v.) en ook het stadsteken (Gerechtsdagboek 1665 2L fol. 146). Ordonnanties: Gerechtsdagboek 1590 B fol. 10v., 63v., 102, 170, 228v. en 237; 1634 P fol. 188v.; 1736 Q fol. 384v.; 1637 R fol. 199v. en 1639 S fol. 262 en ampliaties: Gerechtsdagboek 1599 E fol. 35v.; 1600 E fol. 191; 1670 2O fol. 62v.; 1712 3J fol. 75v.; 1755 4G fol. 301; 1773 4P fol. 209; 1780 4T fol. 145 en 1794 5B fol. 346.
    • N.B.: Ook de spinnewielmakers waren tot toetreden tot dit gilde verplicht (Gerechtsdagboek 1610 G fol. 119) en evenzoo de houtkramers (Gerechtsdagboek 1583 A fol. 242 en 1669 2H fol. 13v. en 84v.) en de kolfmakers (Gerechtsdagboek 1659 2H fol. 128v.), doch niet de kolfverkopers. De wielmakers mochten ook het ijzerwerk aan de wielen maken zonder tot het smedengilde toe te treden (Gerechtsdagboek 1654 2D fol. 183). De Spaanse stoelmakers waren bij de schrijnwerkers ingedeeld (Gerechtsdagboek 1674 2Q fol. 23). Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1646 X fol. 358v. en ampliaties: 1741 4B fol. 63 en 1758 4H fol. 244. Ordonnantie voor de kolfmakers: Gerechtsdagboek 1660 2H fol. 198v.
    • N.B.: Een voorstel om het schrijnwerkersgilde hiermee te verenigen had geen gevolg (Gerechtsdagboek 1686 2V fol. 179); de grenzen van het gilde werden bepaald in 1583 (Gerechtsdagboek A fol. 246) en 1639 (Gerechtsdagboek S fol. 259v.). De beulmakers voor de bakkers bleven buiten het gilde (Gerechtsdagboek 1658 2G fol. 225v.). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1585 A fol. 336v.; 1620 S fol. 145v.; 1701 3B fol. 56; 1758 4H fol. 255 en 1791 4Z fol. 216, en voor de metselaars afzonderlijk: ordonnantie 1591 B fol. 58v. en ampliatie 1744 4C fol. 147.
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de loodgieters en de leidekkers (Gerechtsdagboek 1654 2D fol. 100v.) en de glas-, kannen- en aardewerkverkopers, aan wie in 1660 geweigerd werd om een eigen gilde te vormen (Gerechtsdagboek 2H fol. 222v.; over hun bevoegdheid zie: Gerechtsdagboek 1654 2D fol. 150v.). Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1702 3B fol. 173v. en ampliatie: Gerechtsdagboek 3W fol. 122; voor de loodgieters en leidekkers: ampliaties Gerechtsdagboek 1710 G fol. 191v.; 1727 3S fol. 181; 1736 3Y fol. 60 en 1791 5A fol. 66a.
    • N.B.: De oudste gedrukte keuren op de turftonders dagtekenen van 1592; het gilde werd op 1 december 1675 opgericht. In 1801 werden deken en hoofdmannen vervangen door de provisionele commissarissen van het voormalig gilde, die na 1805 commissarissen van het gilde genoemd werden. Na de ophefting van de gilden bleef de corporatie, waarvan de leden door de stad benoemd werden, voortbestaan als Vereeniging van turfdragers en turftonsters, waarbij de kolenmeters gevoegd werden. In later jaren noemde deze vereniging zich weer Turfdragersgilde. Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1692 2X fol. 243. Ampliaties: 1703 3B fol. 231v.; 1754 4G fol. 83; 1774 4Q fol. 50; 1780 4T fol. 180a en 1781 4T fol. 369.
    • N.B.: De door de zeemtouwers gevraagde vereniging met dit gilde werd in 1737 geweigerd (Gerechtsdagboek 3Y fol. 208v.). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1733 3W fol. 114v.; 1750 4E fol. 388; 1759 4H fol. 318 (verklaring) en 1791 4Z fol. 289.
    • N.B.: Deze waren oorspronkelijk met de apothekers verenigd, waarvan zij in 1661 gescheiden werden (Gerechtsdagboek 2I fol. 203). Hiertoe behoorden ook de kaaskopers, van wie één lid sinds 1659 in het bestuur moest zitten (Gerechtsdagboek 1659 2G fol. 258v.), de kramers (1532, inv.nr. 1190), de buitenlieden, die met spek en ham ter markt komen (Gerechtsdagboek 1638 S fol. 34), de olieverkopers in het klein (Gerechtsdagboek 1618 H fol. 341v.), de pasteibakkers (Gerechtsdagboek 1641 W fol. 61) en de koekbakkers (Gerechtsdagboek 1670 2O fol. 78v.). Proef: 1672 2P fol. 124. Het gilde vergaderde in een gehuurd huis (Gerechtsdagboek 1617 H fol. 245). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1737 3Y fol. 139v. en 1750 4F fol. 35; voor de kaarsenmakers: Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1684 2T fol. 243 en ampliatie: 1754 4G fol. 177; voor de koekbakkers: ampliaties Gerechtsdagboek 1734 3W fol. 174; 1754 4G fol. 177; 1755 4G fol. 226.
    • N.B.: In 1663 van de linnenwevers gescheiden (Gerechtsdagboek 2K fol. 120v.).
    • N.B.: Ampliaties : Gerechtsdagboek 1703 3C fol. 69 en 1783 3W fol. 117. Het aantal werd tot 30 beperkt (Gerechtsdagboek 1703 3C fol. 21).
    • N.B.: Het in 1605 ingediende verzoek om een eigen gilde te vormen werd aangehouden (Gerechtsdagboek F fol. 80v.), doch omstreeks 1632 werd dit ingewilligd. In dat jaar werd een ordonnantie verleend (Gerechtsdagboek C fol. 201v.). Ampliatie: Gerechtsdagboek 1703 3B fol. 237. Het aantal werd in 1713 en 1730 beperkt.
    • openI.BE Vollers
      N.B.: Zie Dr. N.W. Posthumus, Bronnen tot de geschiedenis van de Leidsche textielnijverheid. Ampliatie: Gerechtsdagboek 1716 3L fol. 91v.
    • N.B.: De broederschap van Sint Pancras van de voerlakenmakers ontving 15 maart 1569 een ordonnantie (Aflezingboek B fol. 316v.). Bescheiden zijn niet aanwezig.
    • N.B.: Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1590 B fol. 107v. en ampliaties: 1734 3X fol. 50 en 1788 4Y fol. 217.
    • N.B.: Verkoop van Rijn- en Moezelwijn was aan drapeniers toegestaan als retourvracht van laken. Gerechtsdagboek 1659 HH fol. 87v.
    • N.B.: Hiertoe behoorden ook de francijn- en perkamentmakers en de tobbeerders. In 1737 werd voorgesteld om het gilde met de vachtenbloters te verenigen, Gerechtsdagboek 1737 3Y fol. 208v. Later waren zij bij de schoenmakers ingedeeld, waaraan zij gildegeld betaalden (Gerechtsdagboek 1787 4Y fol. 20). De drapeniers, die hun eigen bloten putten, moesten volgens de ampliatie van 1570 tot het gilde toetreden.
    • N.B.: Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1700 3A fol. 151; ampliaties: Gerechtsdagboek 1703 3C fol. 105v.; 1710 3G fol. 198v.; 1789 4Y fol. 269. In augustus 1977 vond herinventarisatie plaats van het archief van dit gilde, dat voornamelijk geborgen bleek te zijn in SA II 9206/a; daarbij werden de onderhavige drie nummers van nieuwe beschrijvingen en nummers voorzien; hier aangegeven tussen [ ]. Tot het gilde van de wolkammers, waarvan de oudste gildebrief dateert van 9 november 1700 (Gerechtsdagboek 3A fol. 151, en Bibl. Leiden en Omgeving cat.nr. 60648), behoorden sinds 1788 ook de sajetverkopers (inv.nr. 1374/2 en Bibl. Leiden en Omgeving cat.nr. 60468 plano). Het eerste bestuur van deken en hoofdlieden, dat nog in 1700 optrad, bleef het gehele jaar 1701 aan. De wens van J.C. Overvoorde dat zijn inventarisatie van de gildenarchieven ertoe zou leiden dat bij particulieren aanwezige archivalia van gilden hun weg zouden vinden naar het Gemeentearchief (Inleiding van deze inventaris blz. IV) ging in 1926 in vervulling, toen de heer Tieleman het archief van het wolkammersgilde schonk (Jaarverslag 1926). Het werd echter niet aan de gildenarchieven toegevoegd, maar onder inv.nr. 6007/c, later vernummerd tot 9206/a, opgenomen in het archief van de secretarie na 1574. In augustus 1977 is dit ongedaan gemaakt en is het archief naar dat van de andere gilden overgebracht. Van de door de heer Tieleman geschonken stukken werd een lijst opgemaakt, waarop ook een aantal charters voorkomt waarvan het verband met het wolkammersgilde niet kon worden aangetoond. Zij zullen op een andere wijze in het bezit van de heer Tieleman gekomen zijn. Bij de herinventarisatie van augustus 1977 werden ze uit het archief verwijderd en overgebracht naar de Bibliotheek Leiden en Omgeving.
    • openI.BL Wolwevers
      N.B.: Zie Dr. N.W. Posthumus, Bronnen.
    •  I.BM Zeilmakers
      N.B.: Ordonnantie: Gerechtsdagboek 1700 3A fol. 104. Van dit gilde zijn geen bescheiden aanwezig.
    • N.B.: Het gilde had een gildehuis in de Boomgaardsteeg (Gerechtsdagboek 1636 R fol. 213v.). Ampliaties: Gerechtsdagboek 1764 4P fol. 191 en 1780 4T fol. 206.
  • N.B.: Door de maire werd 8 mei 1813, naar aanleiding van een missive van de sous-prefect van 20 april 1813, volgens instructie van de prefect en op order van de Ministre de l'intérieur, om gegevens te verzamelen over de beurzen en die onder stadstoezicht te brengen, aan de heren Van Gerwen en De Mey en de adjunct Van Leyden Gael de uitvoering opgedragen. Deze maakten een concept-overeenkomst, die echter vrij algemeen bij de beurzen op tegenstand stuitte. Bij besluit van 10 september 1813 (Bibl. cat.nr. 61500 p) gaf de maire enige algemene regelen, waarbij in de plaats van de schepenmeesters of het Gerecht de maire werd gesteld en waarbij de band met de oude gilden verbroken werd. Overigens werden de oude ordonnanties gehandhaafd. De commissie wordt in de notulen van de Provisionele Regering van 28 juni 1814 vermeld als 'GECOMMITTEERDEN TOT DE ZAKEN DER BEURZEN EN FONDSEN'. Zie over de gildebeurzen: E.M.A. Timmer, Knechtsgilden en knechtsbossen in Nederland, 1913, in het bijzonder blz. 60-83 (Bibl. cat.nr. 59254 d), en de in de inleiding genoemde jaargang van het Economisch-historisch jaarboek.
  • N.B.: Zie ook Gerechtsdagboek 2A fol. 81 en 2C fol. 142v.; Burgemeesters- en Gerechtsdagboek voor Publieke Zaken A fol. 8v., D fol. 115 en 128v. en E fol. 29v.
Zoeken
Resultaten per pagina
kaart