Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: Poortje van het Bonte Paard

  • Leiden
  • Gebouwen

Gevelteken poortje Galgewater 8 - 9

....
GT_1066

Op het Galgewater bevindt zich tussen de huisnummers 8 en 9 een poortje met in de boog een afbeelding van een paard en het jaartal 16 en 15 (eigenlijk hoort het bij nr. 9, dat er aan de voorzijde min of meer overheen gebouwd is). Gezien de typische Hollandse Renaissancestijl en de mooie profilering van de stenen dateert het echt uit 1615. Het ‘doorspekken’ van een muur van baksteen met lagen natuursteen, meestal witte of gele zandsteen, zodat speklagen ontstonden, was toen heel gebruikelijk; het deed aan doorregen varkensspek denken. Het slijpen van baksteen was zo tussen 1550 en 1650 een vaak toegepaste praktijk, zeker als het niet op een paar gulden stak, omdat daarmee metselaars aan het werk gehouden konden worden die tussen ongeveer 1 december en 1 maart altijd vorstverlet hadden. Een poortje als dit werd dan plat op de grond als een bouwpakket opgebouwd, zodat het na het verdwijnen van het bevriezingsgevaar van de traag drogende specie in losse onderdelen naar de bouwplaats vervoerd kon worden en daar opgemetseld.

Het paard in de boog van het poortje zou de indruk kunnen wekken dat hier een stalhouderij was (zoals bij het poortje op de Stille Rijn tussen nr. 14 en 15 uit 1644) of toch minstens een paardenstal. Toch blijkt dat niet het geval te zijn geweest. Het poortje is niet heel erg groot en een grote Belgische knol zou meteen klem komen te zitten. Maar zelfs al had je een klein paard (toen meestal een hit genoemd, een beetje vergelijkbaar met wat wij nu een Haflinger noemen), dan nog was het niet ruim. Het lijkt meer een poortje voor mensen geweest te zijn. Het terrein erachter was dan ook eeuwenlang bebouwd met kleine huisjes, die meestal verhuurd werden aan arbeiders. Maar mensen zijn geen paarden, dus waarom dan toch dat paard? Dat heeft te maken met de naam van een pand aan het Noordeinde, als het ware in het verlengde van het poortje, waar het lang bij hoorde.

De panden aan de noordzijde van het Noordeinde (de even nummers) hadden vanaf de verkaveling, wellicht kort nadat dit gebied bij de stad getrokken was, dus 1386/9, heel diepe tuinen tot aan de stadsmuur die aan het Galgewater stond, of de binnenvestsloot die daarachter liep. Bij de huizen richting het Kort Rapenburg liepen ze uit op een steegje, dat door de stad aangelegd was op of meteen naast de binnenvestsloot. Het blok werd in twee delen gesplitst door de Valke(n)steeg, genoemd (anders dan Tanneke Schoonheim (+) in haar Langs Leidse stegen p. 29, Geen vogel maar molen, beweert) naar een herberg De Witte Valk aan het Noordeinde. Zoals bekend was het Noordeinde met omgeving hét vervoerscentrum van Leiden. Iedereen die iets te verzenden had of wilde gaan reizen in de kuststreek, diende zich hier te vervoegen. De straat wemelde dan ook van de wagenaars (koetsiers), hoefsmeden, wielmakers, zadelmakers en alles wat maar in de verste verte met vervoer van doen had of het verblijf van reizigers (dus herbergen). Die wagenaars moesten uiteraard hun paarden en wagens stallen: de eerste op hun ruime achtererf, de tweede op de speciaal daartoe met zand gedempte gracht, die eeuwenlang Het Zand zou heten (nu Oude Varkenmarkt). Een pand, en dan met name een herberg, met een naam die iets met een paard van doen had, is daar dan bepaald niet onlogisch.

Een pand dat nu het huisnummer 42 draagt (vóór 1871 Wijk I nr. 31) werd in 1586, 1595, 1606 en nog veel later herberg ’t Bonte Paert genoemd met als uitbater of eigenaar Hendrick Andriesz. Clouck (Cloeck e.d.). Ook later, toen het wellicht al geen herberg meer was, werd het vermeld als het huis “in ’t Noorteynde daer het bonte paert uythangt”. Heyndrick Andriesz., van Antwerpen, snijder (=kleermaker), omtrent 7 jaren (hier gewoond hebbend), met Jaepgen Lambrechtsdr., sijn huysvrou, en Andries, Lambrecht en Catrijn, haerluyder kinderen, woonden hier in 1581 met Neeltgen Maertensdr., wed. van mr. Lambrecht houffsmidt, mogelijk de moeder van Jaepgen. Als dat verblijf van zeven jaar in september 1581 een beetje klopt, zou dat betekenen dat Heyndrick zich haast meteen na het ontzet op 3 oktober 1574 in de stad gevestigd moet hebben. Zij gingen op 21 januari 1576 in ondertrouw: Heynrick Andriesz., van Antwerpen, en Jaepgen Lambrechtsdr., van Leyden, vergeselschapt met Maertgen Heyndricksdr. Na de genoemde drie kinderen zouden er nog de nodige volgen; in ieder geval waren er ook een Marijtgen (die met Frans Cornelisz. Speck zou trouwen) en een Heyndrick. Men zou verwachten dat waar in 1581 en vanaf 1586 de familie Clouck hier woonde, dat ook in 1585 wel het geval zou zijn, maar toch meldt Register Vetus uit 1585 dat het pand verhuurd zou zijn. Hoe dit ook zij, zo rond 1600 overleed Heydrick en Jaepgen Lambrechtsdr. zette de herberg voort, wellicht met hulp van haar kinderen, althans zolang ze thuis bleven wonen. Andries vertrok na zijn huwelijk naar de Houtstraat, waar hij een bekende boekverkoper en uitgever werd. Dochter Marijtgen had een soort naai-atelier voor kostbare stoffen, dat later als vergoeding voor de haar toekomende bruidsschat verrekend werd.


Het poortje in 1938 - Foto Beeldbank ELO

In 1611 werd de stad uitgebreid met het grondgebied ten noorden van Galgewater en Oude Vest. De stadsmuur, die toch al te kwetsbaar was, kon nu afgebroken worden en op de grond daarvan plus de binnenvestsloot erachter was ruimte genoeg voor een straat (eigenlijk een kade) en niet eens zo bekrompen bouwkavels. Het was hier vrij breed, zelfs zo breed dat er ruimte was voor een touwbaan, die hier in het begin van de zeventiende eeuw was op stadsgrond. Na het slopen en dempen werd door de landmeter Jan Pietersz. Dou een prachtige rij bouwkavels uitgemeten en de stad probeerde die te slijten. Maar dat was nog niet zo gemakkelijk, want er werd toen heel veel bouwgrond aangeboden. De enige geïnteresseerden waren eigenlijk de eigenaren van huizen aan het Noordeinde, die ook nog eens defensief opereerden: ze wilden liever geen totale vreemden achter hun huis en dus bouwden ze er liever zelf huizen of werkhuizen (fabriekjes) of stallen. Die huizen moesten ze natuurlijk wel verhuren, maar ze konden zelf hun welgezinde huurders uitkiezen. Zo kocht ook de vader van Rembrandt verder naar het westen een paar kavels en bouwde er huisjes op. Jaepgen Lambrechtsdr., weduwe (sedert ongeveer 1600) van Henrick Clouck, kocht op 22 april 1615 van de heren burgemeesteren een vrij groot kavel van 13 voet (dat zijn roedevoeten, dus een oppervlaktemaat, die zich lastig om laat rekenen naar centiare) voor een jaarlijks te betalen rente (nu zouden we dat erfpacht noemen) van 18 gulden en 15 stuiver plus een schuld van f 402, die in zes jaar afgelost moest worden met ieder jaar f 67. De rente werd al op 22 april 1619 afgekocht en de schuld was op 21 januari 1621 afbetaald. Daarmee was het een onbelast eigendom en omdat Jaepgen in die tijd overleed, kon bij de boedelscheiding op 8 februari 1626 het huis aan het Galgewater met enkele huisjes erachter toebedeeld worden aan zoon Andries, maar er waren nog meer panden daar, die aan andere erfgenamen (Lambert, Hendrick en Trijntgen) toebedeeld werden en na het kinderloos overlijden van enkelen van hen weer onderling vererfden. Zo te zien werden de laatste panden uit het bezit van de familie Clouck in 1698 aan derden verkocht. Dit zou tot op het kleinste detail uitgezocht kunnen worden, maar de familie Clouck en de panden interesseren uiteindelijk te weinig om dat tijdrovende werk te gaan doen. Nog wel het vermelden waard is dat Jaepgen al snel ruzie kreeg met haar buurman aan het Noordeinde Pelgrim Fransz., die ook een bouwkavel aan het Galgewater gekocht had, een poortje gemaakt en daar kleine huisjes aan gebouwd, over een slechte afvoer van water, waardoor een muur van het huis van Jaepgen vochtig werd. Dit leidde tot een ‘buurquestie’, waarin de schepenen op 2 maart en 13 april 1617 uitspraak moesten doen. Vochtig of niet, het poortje bleef tot op de huidige dag bestaan, al is de naam Bonte Paardpoort of iets dergelijks niet (meer) bekend.

De zeer oude Leidenaar zal zich misschien nog een ander Bonte Paard herinneren: een stomerij aan de Witte Singel. Al in 1783 is sprake van een blekerij (en wasserij) Het Bonte Paard aan wat nu de Stationsweg heet, waar in 1801 een Maarten Dieben woonde en werkte toen hij met Adriana Sleuvens (Sleuwens enz.) trouwde. Dat Bonte Paard is mogelijk zo genoemd omdat buiten de Koepoort er een wasserij/blekerij Het Springende Paard was, en onderscheid moet er zijn. Broer Willem Dieben kocht al in 1794 de eerste bleek buiten de Witte Poort op de singel. Denkelijk is de naam van de blekerij aan de Stationsweg overgegaan op die aan de Witte Singel, want daar was gevestigd Stoomwasscherij Het Bonte Paard van de Gebrs. Dieben, Witte Singel 86 (omgenummerd in Witte Singel 13 en uiteindelijk 2-3-4). Deze moet niet verward worden met de wasserij van B. Spronk jr. van Witte Singel 14, wiens reclameslogan: Pronk met de wasch van Spronk velen nog bekend in de oren zal klinken.

Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden. Auteur Piet de Baar. Zie voor meer informatie ons colofon.
kaart