Verhaal: Eerste steen met historie in de Maredijkbuurt
- Genealogie
- Leiden
- Geschiedenis 1701-1800
- Geschiedenis 1801-1900
- Gebouwen
Gevelteken Maredijk 36
In 1893 werden op een van de weinige stukjes Leids grondgebied buiten de singels in de Piet Heinstraat huizen gebouwd. Nog steeds roept dit straatje de sfeer op van een hofje, dat haaks op de Maredijk staat. Iets verder op de Maredijk, ter hoogte van huisnummer 34, was de grens tussen Leids en Oegstgeester grondgebied. Net voorbij deze grens was tuinencomplex ‘Aloëlaanen’ gelegen, waar in 1840 een dienstwoning voor een bloemisterij aan de Maredijk werd gebouwd, een huis dat lange tijd heeft doorstaan en tegenwoordig als monumentaal pand nr. 36 aan de Maredijk wordt bewoond. Met de nabijgelegen dienstwoning van de blekerij ‘De Valk’ (nu Aloëlaan 4) vormden deze twee huizen toen nog de enige bebouwing in de Maredijkbuurt, met hier en daar houten schuren.

Van Campen Kaart uit 1850 (met pand nr. 36 rode stip)
Over de locatie en toenmalige bewoners van de Maredijk zijn via diverse bronnen zoals historische kranten van Leiden, archieven en boeken allerlei wetenswaardigheden aan het licht gekomen. Dat was eerst nog Jacob van Haze, die in 1724 eigenaar was van de bloemisterij op drie percelen aan de Marendijk (huidige nummers 36-40). Later zijn de percelen door C. Arentz overgenomen. Cornelis Arentz, geboren in 1772 te Wassenaar, was een zoon van Jan Arendz, die met Metje de Raadt getrouwd was. Toen hij 50 jaar was, hertrouwde hij op 8 december 1822 de 21 jaar jongere Johanna van Hooven. Zij kregen zes kinderen, waarvan het derde, geboren op 22 januari 1827 te Oegstgeest, naar zijn vader Cornelis werd genoemd. Met hem wordt ook de vermelde naam op de eerste steen bedoeld. Cornelis was toen 13 jaar.
De eerste steen met ingehakt C. ARENTZjn 18 4/2 40, ingemetseld in de gevel van Maredijk 36, is nog in prima staat. Hier wordt gekozen voor de datering 2 april 1840. De steenlegging midden in de winter in februari is minder waarschijnlijk.
... 
GT_2158 - Maredijk 36 - foto's Thijs de Vries
Vader Cornelis Arentz had begin 19e eeuw een bloemenkwekerij, gespecialiseerd in dahlia’s, en was één van de pioniers in Nederland. Hij had in 1813 als één van de eersten een gevuldbloemige paarse dahlia gekweekt. In 1819 bood hij al een assortiment aan van zo’n 70 soorten in kleur. Dit kreeg een wending toen duidelijk werd dat in Engeland ook ijverig werd gekweekt, notabene door zijn toedoen, en men hem uiteindelijk met de meest prachtige soorten overtroefde. Na het zien van deze Engelse kwaliteit was Cornelis verbluft en zijn eerste reactie nadat hij thuiskwam was om al zijn dahlia’s eruit te trekken en in de sloot te gooien.
Over de precieze locatie waar Cornelis Arentz zijn vak beoefende is geen onduidelijkheid. Zijn kwekerij was gelegen in het oorspronkelijk in 1612 door Jan Pietersz. Dou ontworpen tuinencomplex ‘De Aloëlaanen’. Dit tuinengebied, met een oppervlak van 3,1 ha, was omsloten en doorsneden door bevaarbare sloten. Zo kon handelswaar per schuit worden aan- en afgevoerd. Op onderstaande kaart is met een pijl aangegeven het perceel van Cornelis Arentz ter grootte van 263 roeden. Hij deelde de tuingrond met ongeveer twaalf ingelanden en noemde zijn eigen tuin De Aloë Americane. Deze naam is waarschijnlijk afgeleid van een zeer bijzondere, uit Midden-Amerika afkomstige plant, die in 1698 in de ‘Kruyd-hof’ (Hortus Botanicus) te Leiden gebloeid had, de zogenoemde Honderdjarige Aloë.

Staat van Aloëlaanen in 1804 (Jan Hengstmengel, Geschiedenis van de Maredijkbuurt in Leiden, 2013, pag. 133.)
Cornelis onderhield de bloemisterij goed door o.a. de aangrenzende sloot regelmatig uit te baggeren. Als tegemoetkoming hiervoor mocht hij de bagger behouden en kreeg hij 1 gulden korting op de jaarlijkse omslag. Met regelmaat prees hij zijn mooiste dubbele dahlia’s aan, voor 1 gulden per stuk. In het jaar waarin hij huwde met Johanna van Hooven, in 1822, kondigde zich ineens een aantal veranderingen aan. Op 11 oktober 1822 biedt C. Arentz uit de hand te koop de bloemisterij De Aloë Americana aan en in augustus gevolgd door publieke verkoping van bloemgewassen. Wat hij met het eerstgenoemde voorhad is onduidelijk, immers de zaken gingen goed en hij was wellicht nog energiek genoeg om de bloemisterij voort te zetten. Weldra werd het eerste kind geboren, Johannes Isaac op 4 oktober 1823. In de 10-jarige periode die hierop volgde werden er nog vijf kinderen geboren.
En de jaren gingen voorbij zonder noemenswaardige berichten over de bedrijfsvoering, totdat in 1840 het woonhuis aan de Maredijk werd gebouwd, waarbij zijn 13-jarige zoontje Cornelis hielp met de eerstesteenlegging. In 1848 heeft Cornelis Arentz (inmiddels 76 jaar) dit nieuwe huis te huur aangeboden.

Leydse Courant, 17 januari 1848, pag. 4.
Dat hij de zorg voor de bloemisterij wist vol te houden blijkt wel uit een ingezonden artikel in de Leidsche Courant (19 juli 1850). Dit betreft de aandacht voor een statige mooie plant, de Yucca Pendula Hort, die hier ter stede bloeit. De inzender hoopt dat de heer C. Arentz, bloemist aan den Marendijk alhier, aan ieder volgaarne de gelegenheid zal bieden om deze plant te beschouwen, die evenals verscheidene andere fraaie gewassen van de kwekerij, de moeite wel belonen zal.
Dat Cornelis bijzondere planten had gekweekt bleek ook wel uit de opsomming in de Leidsche Courant, te koop aangeboden:

Leydse Courant, 23 oktober 1854, pag. 4
Niet lang daarna, op 14 november 1855, overleed Cornelis Arentz op 83-jarige leeftijd te Oegstgeest. Zoon Cornelis Arentz was intussen op 5 maart 1852 in Hoorn getrouwd met Elisabeth Catharina Repelius. Hij was toen 25 jaar en stond te boek als bloemist. Krantenberichten bevestigen dat hij de bloemisterij De Aloë nog lange tijd heeft voortgezet en dat hij woonde op Maredijk 19, het tegenoverliggende pand van nr. 36 (met eerste steen).
Het bleef lange tijd stil en er verschenen jarenlang geen berichten over het wel en wee van de familie C. Arentz.
Op 11 oktober 1865 vond het overlijden plaats van Elisabeth Catharina Arentz, slechts vier jaar oud. Op 11 juni 1873 overleed Johanna eveneens op jonge leeftijd, na langdurig lijden slechts 20 jaar oud geworden. De overige vier kinderen waren toen deels zelfstandig;:
Cornelis (1854-1936), Johannes Gijsbertus (1857-1934), Isaac (1864-1910) en de tweede Elizabeth Catharina (1866-1947). Er zijn in de periode van 1873 tot 1882 geen bijzonderheden over het reilen en zeilen van de bloemisterij vermeld. Langzamerhand werd het tijd om na te denken over de toekomst van het familiebedrijf, dat wellicht nog door een van de kinderen kon worden overgenomen. Uit de aankondiging tot verkoop op 20 september 1882 en later herhaald in oktober bleek het tegendeel:
... 
LD 10 oktober 1882, pag. 4 ... LD 17 oktober 1882, pag. 2
Grootmoeder en weduwe Johanna van Hooven heeft dit feit nog al of niet bewust kunnen verwerken. Zij overleed 11 maart 1883 op 89-jarige leeftijd, wonende op Maredijk 20.
Het bewaren en verzorgen van planten in de Oranjerie werd nog zeer korte tijd door Cornelis Arentz voortgezet, want hij overleed op 1 december 1883, nog wonende aan de Maredijk 19. Hij is 56 jaar geworden. Zijn weduwe Elisabeth Catharina Repelius overleed pas op 17 januari 1911 in Leiden. Op 16 januari 1884 werd dit pand, van waaruit de Bloemisterij Aloë werd bestuurd, te huur aangeboden. Het pand met eerste steen uit 1840, Maredijk 36, dat sinds 1848 gedeeltelijk werd verhuurd, werd op 16 november 1891 publiek verkocht door notaris Mr. J.A.F. Coebergh:
Het huis gemerkt No 36, met tuingrond, in de Aloëlaan, in- en uitgang hebbende op den Marendijk en den stadssingel onder Oegstgeest, samen groot 8 aren, 30 centiaren, bevattende: Opkamer, Zijkamer, Keuken met Put- en Regenwater, groote en kleinere Schuur, Tuin met Vruchtboomen en voorts Zolder. De kamers zijn behangen en voorzien van Kasten, Stookplaatsen en vele gemakken. Het perceel heeft duinwaterleiding, is gedeeltelijk in eigen gebruik en gedeeltelijk verhuurd voor f 180,-- per jaar.
Maredijk 36 is sindsdien meerdere keren van eigenaar veranderd, zonder een nieuwe bedrijfsbestemming. Hiermee behoort het bloemrijke bestaan van dit monumentale pand voorgoed tot het verleden.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie zie ons colofon.
Van Campen Kaart uit 1850 (met pand nr. 36 rode stip)
Over de locatie en toenmalige bewoners van de Maredijk zijn via diverse bronnen zoals historische kranten van Leiden, archieven en boeken allerlei wetenswaardigheden aan het licht gekomen. Dat was eerst nog Jacob van Haze, die in 1724 eigenaar was van de bloemisterij op drie percelen aan de Marendijk (huidige nummers 36-40). Later zijn de percelen door C. Arentz overgenomen. Cornelis Arentz, geboren in 1772 te Wassenaar, was een zoon van Jan Arendz, die met Metje de Raadt getrouwd was. Toen hij 50 jaar was, hertrouwde hij op 8 december 1822 de 21 jaar jongere Johanna van Hooven. Zij kregen zes kinderen, waarvan het derde, geboren op 22 januari 1827 te Oegstgeest, naar zijn vader Cornelis werd genoemd. Met hem wordt ook de vermelde naam op de eerste steen bedoeld. Cornelis was toen 13 jaar.
De eerste steen met ingehakt C. ARENTZjn 18 4/2 40, ingemetseld in de gevel van Maredijk 36, is nog in prima staat. Hier wordt gekozen voor de datering 2 april 1840. De steenlegging midden in de winter in februari is minder waarschijnlijk.
GT_2158 - Maredijk 36 - foto's Thijs de Vries
Vader Cornelis Arentz had begin 19e eeuw een bloemenkwekerij, gespecialiseerd in dahlia’s, en was één van de pioniers in Nederland. Hij had in 1813 als één van de eersten een gevuldbloemige paarse dahlia gekweekt. In 1819 bood hij al een assortiment aan van zo’n 70 soorten in kleur. Dit kreeg een wending toen duidelijk werd dat in Engeland ook ijverig werd gekweekt, notabene door zijn toedoen, en men hem uiteindelijk met de meest prachtige soorten overtroefde. Na het zien van deze Engelse kwaliteit was Cornelis verbluft en zijn eerste reactie nadat hij thuiskwam was om al zijn dahlia’s eruit te trekken en in de sloot te gooien.
Over de precieze locatie waar Cornelis Arentz zijn vak beoefende is geen onduidelijkheid. Zijn kwekerij was gelegen in het oorspronkelijk in 1612 door Jan Pietersz. Dou ontworpen tuinencomplex ‘De Aloëlaanen’. Dit tuinengebied, met een oppervlak van 3,1 ha, was omsloten en doorsneden door bevaarbare sloten. Zo kon handelswaar per schuit worden aan- en afgevoerd. Op onderstaande kaart is met een pijl aangegeven het perceel van Cornelis Arentz ter grootte van 263 roeden. Hij deelde de tuingrond met ongeveer twaalf ingelanden en noemde zijn eigen tuin De Aloë Americane. Deze naam is waarschijnlijk afgeleid van een zeer bijzondere, uit Midden-Amerika afkomstige plant, die in 1698 in de ‘Kruyd-hof’ (Hortus Botanicus) te Leiden gebloeid had, de zogenoemde Honderdjarige Aloë.
Staat van Aloëlaanen in 1804 (Jan Hengstmengel, Geschiedenis van de Maredijkbuurt in Leiden, 2013, pag. 133.)
Cornelis onderhield de bloemisterij goed door o.a. de aangrenzende sloot regelmatig uit te baggeren. Als tegemoetkoming hiervoor mocht hij de bagger behouden en kreeg hij 1 gulden korting op de jaarlijkse omslag. Met regelmaat prees hij zijn mooiste dubbele dahlia’s aan, voor 1 gulden per stuk. In het jaar waarin hij huwde met Johanna van Hooven, in 1822, kondigde zich ineens een aantal veranderingen aan. Op 11 oktober 1822 biedt C. Arentz uit de hand te koop de bloemisterij De Aloë Americana aan en in augustus gevolgd door publieke verkoping van bloemgewassen. Wat hij met het eerstgenoemde voorhad is onduidelijk, immers de zaken gingen goed en hij was wellicht nog energiek genoeg om de bloemisterij voort te zetten. Weldra werd het eerste kind geboren, Johannes Isaac op 4 oktober 1823. In de 10-jarige periode die hierop volgde werden er nog vijf kinderen geboren.
En de jaren gingen voorbij zonder noemenswaardige berichten over de bedrijfsvoering, totdat in 1840 het woonhuis aan de Maredijk werd gebouwd, waarbij zijn 13-jarige zoontje Cornelis hielp met de eerstesteenlegging. In 1848 heeft Cornelis Arentz (inmiddels 76 jaar) dit nieuwe huis te huur aangeboden.
Leydse Courant, 17 januari 1848, pag. 4.
Dat hij de zorg voor de bloemisterij wist vol te houden blijkt wel uit een ingezonden artikel in de Leidsche Courant (19 juli 1850). Dit betreft de aandacht voor een statige mooie plant, de Yucca Pendula Hort, die hier ter stede bloeit. De inzender hoopt dat de heer C. Arentz, bloemist aan den Marendijk alhier, aan ieder volgaarne de gelegenheid zal bieden om deze plant te beschouwen, die evenals verscheidene andere fraaie gewassen van de kwekerij, de moeite wel belonen zal.
Dat Cornelis bijzondere planten had gekweekt bleek ook wel uit de opsomming in de Leidsche Courant, te koop aangeboden:
Leydse Courant, 23 oktober 1854, pag. 4
Niet lang daarna, op 14 november 1855, overleed Cornelis Arentz op 83-jarige leeftijd te Oegstgeest. Zoon Cornelis Arentz was intussen op 5 maart 1852 in Hoorn getrouwd met Elisabeth Catharina Repelius. Hij was toen 25 jaar en stond te boek als bloemist. Krantenberichten bevestigen dat hij de bloemisterij De Aloë nog lange tijd heeft voortgezet en dat hij woonde op Maredijk 19, het tegenoverliggende pand van nr. 36 (met eerste steen).
Het bleef lange tijd stil en er verschenen jarenlang geen berichten over het wel en wee van de familie C. Arentz.
Op 11 oktober 1865 vond het overlijden plaats van Elisabeth Catharina Arentz, slechts vier jaar oud. Op 11 juni 1873 overleed Johanna eveneens op jonge leeftijd, na langdurig lijden slechts 20 jaar oud geworden. De overige vier kinderen waren toen deels zelfstandig;:
Cornelis (1854-1936), Johannes Gijsbertus (1857-1934), Isaac (1864-1910) en de tweede Elizabeth Catharina (1866-1947). Er zijn in de periode van 1873 tot 1882 geen bijzonderheden over het reilen en zeilen van de bloemisterij vermeld. Langzamerhand werd het tijd om na te denken over de toekomst van het familiebedrijf, dat wellicht nog door een van de kinderen kon worden overgenomen. Uit de aankondiging tot verkoop op 20 september 1882 en later herhaald in oktober bleek het tegendeel:
LD 10 oktober 1882, pag. 4 ... LD 17 oktober 1882, pag. 2
Grootmoeder en weduwe Johanna van Hooven heeft dit feit nog al of niet bewust kunnen verwerken. Zij overleed 11 maart 1883 op 89-jarige leeftijd, wonende op Maredijk 20.
Het bewaren en verzorgen van planten in de Oranjerie werd nog zeer korte tijd door Cornelis Arentz voortgezet, want hij overleed op 1 december 1883, nog wonende aan de Maredijk 19. Hij is 56 jaar geworden. Zijn weduwe Elisabeth Catharina Repelius overleed pas op 17 januari 1911 in Leiden. Op 16 januari 1884 werd dit pand, van waaruit de Bloemisterij Aloë werd bestuurd, te huur aangeboden. Het pand met eerste steen uit 1840, Maredijk 36, dat sinds 1848 gedeeltelijk werd verhuurd, werd op 16 november 1891 publiek verkocht door notaris Mr. J.A.F. Coebergh:
Het huis gemerkt No 36, met tuingrond, in de Aloëlaan, in- en uitgang hebbende op den Marendijk en den stadssingel onder Oegstgeest, samen groot 8 aren, 30 centiaren, bevattende: Opkamer, Zijkamer, Keuken met Put- en Regenwater, groote en kleinere Schuur, Tuin met Vruchtboomen en voorts Zolder. De kamers zijn behangen en voorzien van Kasten, Stookplaatsen en vele gemakken. Het perceel heeft duinwaterleiding, is gedeeltelijk in eigen gebruik en gedeeltelijk verhuurd voor f 180,-- per jaar.
Maredijk 36 is sindsdien meerdere keren van eigenaar veranderd, zonder een nieuwe bedrijfsbestemming. Hiermee behoort het bloemrijke bestaan van dit monumentale pand voorgoed tot het verleden.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie zie ons colofon.