Verhaal: Boter, kaas en eieren in de Mandenmakerssteeg
- Genealogie
- Leiden
- Geschiedenis 1801-1900
- Geschiedenis 1901-1950
- Gebouwen
Mandenmakerssteeg 11
De naam Mandenmakerssteeg doet vermoeden dat in deze steeg voorheen mandenvlechters waren gehuisvest. Dat is juist. Op 27 december 1830 droeg een zekere M. Christiaanse zijn mandenmakers-affaire in deze Leidse steeg over aan een zekere W. Mulder. Maar in de 15e en 16e eeuw werd deze doorgang tussen Breestraat en Aalmarkt ‘Craensteeg’ (Kraansteeg) genoemd, als verwijzing naar de kraan die op het Waaghoofd aan de Aalmarkt stond opgesteld. Hier was het een en al bedrijvigheid, waar scheepslui manden met goederen in- en uitlaadden. In de directe nabijheid waren herbergen gevestigd, waar kooplieden elkaar ontmoetten om handel met elkaar te drijven. Een daarvan in de ‘Mandemaeckerstege’ in 1607 was de herberg van brouwer Jan Jansz. Knotter, genaamd ‘Den Hont in de Pot’. Op dit perceel zou veel later het tegenwoordige pand met huisnummer 11 worden gebouwd. In de gevel hiervan zit net boven straathoogte een nog opmerkelijk gaaf gevelsteentje met opschrift: J.C.P. STEENHAUER 18 23/5 69.
...
GT_2228 Mandenmakerssteeg 11
De naam op deze steen zou kunnen duiden op de maker ervan, maar dat is niet geval. Het uitzoeken van de familie Steenhauer heeft ook geen steenhouwers in de 19e-eeuwse generaties opgeleverd. Het verband tussen familienaam en het ambacht zal vermoedelijk in het verre verleden zijn ontstaan.
Op 27 juni 1837 overleed op 45-jarige leeftijd Jan Steenhauer, na maandenlang lijden. Zijn beroep was binnenvaartschipper en hij voer op Amsterdam. Twaalf gelukkige jaren leefde hij met zijn echtgenote Adriana van Gessel in Leiden aan de Ouden Rijn Wijk VI, nr. 91 (=Oude Rijn 8). Zij kregen twee zoons, waarvan de eerste, Jan Carel Pieter Steenhauer, op 27 juni 1827 het levenslicht zag. De tweede zoon, Pieter Hendrik, kwam ruim drie jaar later op 30 september 1830. Een hele tijd later overleed ook moeder Adriana van Gessel, op 12 november 1859. Op 13 mei 1863 verscheen in de Leydse Courant een advertentie over verkoop van boter en kaas in de Mandenmakerssteeg:
Leydse Courant 1863 13 mei pag. 4
Het is aannemelijk dat vader Jan Steenhauer eigenaar was van dit pand nr. 111 (na 1871 nr. 6) in de Mandenmakerssteeg (Wijk IV), waar ook in kaas en boter werd gehandeld. Na zijn dood heeft weduwe Adriana Steenhauer-van Gessel dit bedrijf voortgezet. In het gezin van Pieter Hendrik en Wilhelmina Sophia Stokhuijzen werd in 1862 op 30 juni Jan Carel Pieter Steenhauer geboren (vernoemd naar zijn oom).
Er deden zich in korte tijd een paar grote veranderingen voor; op 18 juli 1868 passeerde er bij notaris A. Wynstroom een akte over de aangegane Vennootschap met een gemeenschappelijke rekening van Jan Carel Pieter en Pieter Hendrik Steenhauer onder de firma van ‘De weduwe J. Steenhauer en Zoonen‘. Voor deze zuivelhandel werd vergunning verleend voor het maken van een keldergat in de stoep voor het pakhuis in de Mandenmakerssteeg. Vervolgens was er op 7 april 1869 het huwelijk van Jan Carel Pieter Steenhauer (41 jaar) met Neeltje Maat (24 jaar), geboren in Leiden. Op dezelfde dag werd in de Mandenmakerssteeg een pand te koop aangeboden, nr.120 (na 1871 nr. 11) aan de overzijde van de zuivelhandel op nr.111. Dit pand werd op 10 april voor f 1475,00 aangekocht door de broers Steenhauer.

Leydse Courant 1869 14 april pag. 3
Met deze aankoop gingen de broers voortvarend te werk, want een maand later werd een aanvraag ingediend voor het mogen plaatsen van een rookhok en een kookfornuis (wijk IV, nr.120). De toenmalige situering van de boter- en kaashandel was als volgt:

Wijk IV met o.a. Mandenmakerssteeg met gemerkte panden nr. 111 en 120.
Rood gemerkt pand nr.120 komt overeen met het huidige huis nr.11, waar de gevelsteen is ingemetseld. Dat Jan Carel Pieter Steenhauer de persoon is die op de gevelsteen staat vermeld, is zeker. Of dit een eerste steenlegging was, valt te betwijfelen. Het steenverband lijkt te zijn verstoord door het weghakken van stenen, dit voor het maken van de uitsparing van de gevelsteen. Bovendien werd vlak na de koop een aanvraag voor een interieur-aanpassing ingediend (rookhok en fornuis), er vanuitgaande dat de voorgevel op dat moment overeind stond. Vanaf eind mei 1869 werd aan de lopende band met de zuivelproducten van De weduwe J. Steenhauer en Zoonen (groen gemerkt) in de Leidse kranten geadverteerd. Beide broers hadden hun draai wel gevonden in deze handelsbranche. Een gezinsaanvang voor Jan Carel Pieter gebeurde op 30 september 1869, toen Neeltje Maat beviel van haar eerste kind, Adriana Elisabeth Steenhauer. De tweede dochter werd op 3 december 1870 geboren, eveneens in de Mandenmakerssteeg (vermoedelijk nr.120). Tot groot verdriet heeft zij slechts 11 maanden geleefd en stierf Jannetje Anna Catharina op 4 november 1871. Gelukkig werd na enige tijd weer een dochter geboren, die op 13 augustus 1872 dezelfde namen meekreeg, Jannetje Anna Catharina. Het vierde kind, Antonia Pancratia, werd op 27 maart 1874 eveneens in de Mandenmakerssteeg geboren. Wederom sloeg het noodlot toe, toen zij al na twee maanden overleed. Een jaar later op 10 augustus 1875 werd een levenloze dochter aangegeven.
Kortom, het gezin van Jan Carel Pieter Steenhauer heeft een zeer bewogen periode moeten doorstaan. Tot hun geluk werd op 16 november 1879 het volgende kind geboren, een jongetje, dat genoemd werd naar zijn vader Jan Carel Pieter.
Zoals uit het vervolg zal blijken waren er al wel plannen voor de toekomst gesmeed. Zo was daar eerst de akte op 24 april 1878 waarin de ontbinding van de vennootschap van Jan Carel Pieter en Pieter Hendrik was vastgelegd, onder de firma “Weduwe J. Steenhauer en zonen”. Bij deze ontbinding, die per 1 mei van kracht was, werd de handel in boter en kaas onder dezelfde firma opgedragen aan Pieter Hendrik Steenhauer, die de zaak voor eigen rekening ging voortzetten.
.......
Leidsch Dagblad 1880 22 maart pag. 3 ... Leidsch Dagblad 1892 12 augustus pag. 6
Jan Carel Pieter had kennelijk heel andere plannen en startte met het aankopen van diverse woningen, elders in Leiden. In de periode van 1879 tot 1890 werd hij eigenaar van maar liefst tien woningen, o.a. aan de Langebrug, Korte Oranjegracht, Valkensteeg, Morschsingel, Caecileastraat en Nieuwe Beestenmarkt (inclusief koffiehuis) met een totale aankoopwaarde van ruim f 14.000.
In dezelfde periode op 18 januari 1883 werd het zesde en laatste kind geboren, Wilhelmina Maria Sophia. Het moet in de loop van dat jaar toch een schok gegeven hebben toen zijn broer Pieter Hendrik (52 jaar) op 8 augustus 1883 overleed. Waarschijnlijk heeft weduwe Wilhelmina Sophia Stokhuijzen de bedrijfsvoering daarna kunnen vervolgen. De aanprijzing van de boter- en kaasproducten in de Mandenmakerssteeg door middel van krantenadvertenties ging onverminderd voort. Over hoe dit bedrijf reilde en zeilde en over de personeelsbezetting is het gissen naar gegevens. Zij heeft dit nog jaren kunnen volhouden, tot het moment waarop zij op 66-jarige leeftijd op 15 april 1904 overleed.
Het was verrassend dat er in Leidse kranten van 1899 advertenties verschenen over een handel van Jan Carel Pieter Steenhauer in fietsen, waarbij hij als enige in de Leidse regio het merk ‘Liberator’ vertegenwoordigde. Het was niet hij maar zijn zoon (inmiddels 20 jaar) die voor deze baan had gekozen! Zijn vader was op 72-jarige leeftijd misschien nog fit genoeg voor een rondje fietsen, maar een wedstrijd in behendigheid en snelheid was eerder voor zijn zoon weggelegd:
...
Leidsch Dagblad 1899 3 oktober pag. 5
Daarnaast werd het merk ‘Crescent’ aangeprezen, waarvoor speciale kisten ter verzending voor f 1,50 te koop werden aangeboden, verkrijgbaar op de Ouden Rijn 6 (geboortehuis van Jan Carel Pieter) en de Heerensteeg 19. Ook dames- en herentandems waren in de mode, met merken als Royal Enfield en Whitworth.
Jan Carel Pieter Jr. stond te boek als rijwielhersteller, maar hij werd ook Nederlands hoofdvertegenwoordiger van bandenfabrikant Hollandia, Diamont, enz. Dat niet alle zaken op dit gebied soepel verliepen, bewijst een opmerkelijk bericht van 16 februari 1901 met nietigverklaring van het vonnis over het faillissement van rijwielhandelaar J.C.P. Steenhauer jr. In contrast hiermee werd in 1903 op de Langebrug, op nummer 20, een nieuwe zaak geopend. Twee dagen later meldde de krant dat de zaak wegens ziekte tijdelijk gesloten werd. Of hij daarna volledig herstelde, blijkt niet uit vervolgberichten over zijn rijwielhandel; die bleven uit.
Leidsch Dagblad 1903 4 juni pag. 4
Hij bereidde zich voor op zijn huwelijk met Johanna Maria Henriette Schwab (20 jaar), geboren te Amsterdam. Hier werd ook het huwelijk voltrokken, op 28 november 1907. Het moet wel een schok hebben gegeven toen zijn vader Jan Carel Pieter Steenhauer (80 jaar) nog voor het einde van het jaar op 29 december 1907 overleed. Hij werd begraven op begraafplaats Groenesteeg. Ondertussen was de zuivelhandel in de Mandenmakerssteeg nog steeds actief en prees men de waren via de kranten aan. Neeltje Steenhauer-Maat kondigde in 1913 haar vertrek aan naar ‘s-Gravenhage en liet zich met haar zoon en dochter, respectievelijk Jan Carel Pieter en Jannetje Anna Catharina Steenhauer, in de 1e Van der Boschstraat 52 aldaar registreren. Kort daarna, op 29 maart 1913, overleed na een kortstondige ziekte op 33-jarige leeftijd Jan Carel Pieter Steenhauer in Amsterdam. Het duurde niet lang meer voordat het winkelhuis en pakhuis in de Mandenmakerssteeg in bod werden gebracht; dit gebeurde op 8 augustus 1921.
...
Mandenmakerssteeg .............. Leidsch Dagblad, 1921 26 juli pag. 4
circa 1900
ELO-beeldarchief
Met het overlijden van Neeltje Maat (81 jaar), weduwe van Jan Carel Pieter Steenhauer, op 8 mei 1926 ging de levendige handel in boter kaas en eieren in de Mandenmakerssteeg als een nachtkaarsje uit.
Tegenwoordig zijn bovengenoemde percelen opgegaan in een groter geheel.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie of contact met de commissie raadpleeg ons colofon.
GT_2228 Mandenmakerssteeg 11
De naam op deze steen zou kunnen duiden op de maker ervan, maar dat is niet geval. Het uitzoeken van de familie Steenhauer heeft ook geen steenhouwers in de 19e-eeuwse generaties opgeleverd. Het verband tussen familienaam en het ambacht zal vermoedelijk in het verre verleden zijn ontstaan.
Op 27 juni 1837 overleed op 45-jarige leeftijd Jan Steenhauer, na maandenlang lijden. Zijn beroep was binnenvaartschipper en hij voer op Amsterdam. Twaalf gelukkige jaren leefde hij met zijn echtgenote Adriana van Gessel in Leiden aan de Ouden Rijn Wijk VI, nr. 91 (=Oude Rijn 8). Zij kregen twee zoons, waarvan de eerste, Jan Carel Pieter Steenhauer, op 27 juni 1827 het levenslicht zag. De tweede zoon, Pieter Hendrik, kwam ruim drie jaar later op 30 september 1830. Een hele tijd later overleed ook moeder Adriana van Gessel, op 12 november 1859. Op 13 mei 1863 verscheen in de Leydse Courant een advertentie over verkoop van boter en kaas in de Mandenmakerssteeg:
Leydse Courant 1863 13 mei pag. 4
Het is aannemelijk dat vader Jan Steenhauer eigenaar was van dit pand nr. 111 (na 1871 nr. 6) in de Mandenmakerssteeg (Wijk IV), waar ook in kaas en boter werd gehandeld. Na zijn dood heeft weduwe Adriana Steenhauer-van Gessel dit bedrijf voortgezet. In het gezin van Pieter Hendrik en Wilhelmina Sophia Stokhuijzen werd in 1862 op 30 juni Jan Carel Pieter Steenhauer geboren (vernoemd naar zijn oom).
Er deden zich in korte tijd een paar grote veranderingen voor; op 18 juli 1868 passeerde er bij notaris A. Wynstroom een akte over de aangegane Vennootschap met een gemeenschappelijke rekening van Jan Carel Pieter en Pieter Hendrik Steenhauer onder de firma van ‘De weduwe J. Steenhauer en Zoonen‘. Voor deze zuivelhandel werd vergunning verleend voor het maken van een keldergat in de stoep voor het pakhuis in de Mandenmakerssteeg. Vervolgens was er op 7 april 1869 het huwelijk van Jan Carel Pieter Steenhauer (41 jaar) met Neeltje Maat (24 jaar), geboren in Leiden. Op dezelfde dag werd in de Mandenmakerssteeg een pand te koop aangeboden, nr.120 (na 1871 nr. 11) aan de overzijde van de zuivelhandel op nr.111. Dit pand werd op 10 april voor f 1475,00 aangekocht door de broers Steenhauer.
Leydse Courant 1869 14 april pag. 3
Met deze aankoop gingen de broers voortvarend te werk, want een maand later werd een aanvraag ingediend voor het mogen plaatsen van een rookhok en een kookfornuis (wijk IV, nr.120). De toenmalige situering van de boter- en kaashandel was als volgt:
Wijk IV met o.a. Mandenmakerssteeg met gemerkte panden nr. 111 en 120.
Rood gemerkt pand nr.120 komt overeen met het huidige huis nr.11, waar de gevelsteen is ingemetseld. Dat Jan Carel Pieter Steenhauer de persoon is die op de gevelsteen staat vermeld, is zeker. Of dit een eerste steenlegging was, valt te betwijfelen. Het steenverband lijkt te zijn verstoord door het weghakken van stenen, dit voor het maken van de uitsparing van de gevelsteen. Bovendien werd vlak na de koop een aanvraag voor een interieur-aanpassing ingediend (rookhok en fornuis), er vanuitgaande dat de voorgevel op dat moment overeind stond. Vanaf eind mei 1869 werd aan de lopende band met de zuivelproducten van De weduwe J. Steenhauer en Zoonen (groen gemerkt) in de Leidse kranten geadverteerd. Beide broers hadden hun draai wel gevonden in deze handelsbranche. Een gezinsaanvang voor Jan Carel Pieter gebeurde op 30 september 1869, toen Neeltje Maat beviel van haar eerste kind, Adriana Elisabeth Steenhauer. De tweede dochter werd op 3 december 1870 geboren, eveneens in de Mandenmakerssteeg (vermoedelijk nr.120). Tot groot verdriet heeft zij slechts 11 maanden geleefd en stierf Jannetje Anna Catharina op 4 november 1871. Gelukkig werd na enige tijd weer een dochter geboren, die op 13 augustus 1872 dezelfde namen meekreeg, Jannetje Anna Catharina. Het vierde kind, Antonia Pancratia, werd op 27 maart 1874 eveneens in de Mandenmakerssteeg geboren. Wederom sloeg het noodlot toe, toen zij al na twee maanden overleed. Een jaar later op 10 augustus 1875 werd een levenloze dochter aangegeven.
Kortom, het gezin van Jan Carel Pieter Steenhauer heeft een zeer bewogen periode moeten doorstaan. Tot hun geluk werd op 16 november 1879 het volgende kind geboren, een jongetje, dat genoemd werd naar zijn vader Jan Carel Pieter.
Zoals uit het vervolg zal blijken waren er al wel plannen voor de toekomst gesmeed. Zo was daar eerst de akte op 24 april 1878 waarin de ontbinding van de vennootschap van Jan Carel Pieter en Pieter Hendrik was vastgelegd, onder de firma “Weduwe J. Steenhauer en zonen”. Bij deze ontbinding, die per 1 mei van kracht was, werd de handel in boter en kaas onder dezelfde firma opgedragen aan Pieter Hendrik Steenhauer, die de zaak voor eigen rekening ging voortzetten.
Leidsch Dagblad 1880 22 maart pag. 3 ... Leidsch Dagblad 1892 12 augustus pag. 6
Jan Carel Pieter had kennelijk heel andere plannen en startte met het aankopen van diverse woningen, elders in Leiden. In de periode van 1879 tot 1890 werd hij eigenaar van maar liefst tien woningen, o.a. aan de Langebrug, Korte Oranjegracht, Valkensteeg, Morschsingel, Caecileastraat en Nieuwe Beestenmarkt (inclusief koffiehuis) met een totale aankoopwaarde van ruim f 14.000.
In dezelfde periode op 18 januari 1883 werd het zesde en laatste kind geboren, Wilhelmina Maria Sophia. Het moet in de loop van dat jaar toch een schok gegeven hebben toen zijn broer Pieter Hendrik (52 jaar) op 8 augustus 1883 overleed. Waarschijnlijk heeft weduwe Wilhelmina Sophia Stokhuijzen de bedrijfsvoering daarna kunnen vervolgen. De aanprijzing van de boter- en kaasproducten in de Mandenmakerssteeg door middel van krantenadvertenties ging onverminderd voort. Over hoe dit bedrijf reilde en zeilde en over de personeelsbezetting is het gissen naar gegevens. Zij heeft dit nog jaren kunnen volhouden, tot het moment waarop zij op 66-jarige leeftijd op 15 april 1904 overleed.
Het was verrassend dat er in Leidse kranten van 1899 advertenties verschenen over een handel van Jan Carel Pieter Steenhauer in fietsen, waarbij hij als enige in de Leidse regio het merk ‘Liberator’ vertegenwoordigde. Het was niet hij maar zijn zoon (inmiddels 20 jaar) die voor deze baan had gekozen! Zijn vader was op 72-jarige leeftijd misschien nog fit genoeg voor een rondje fietsen, maar een wedstrijd in behendigheid en snelheid was eerder voor zijn zoon weggelegd:
Leidsch Dagblad 1899 3 oktober pag. 5
Daarnaast werd het merk ‘Crescent’ aangeprezen, waarvoor speciale kisten ter verzending voor f 1,50 te koop werden aangeboden, verkrijgbaar op de Ouden Rijn 6 (geboortehuis van Jan Carel Pieter) en de Heerensteeg 19. Ook dames- en herentandems waren in de mode, met merken als Royal Enfield en Whitworth.
Jan Carel Pieter Jr. stond te boek als rijwielhersteller, maar hij werd ook Nederlands hoofdvertegenwoordiger van bandenfabrikant Hollandia, Diamont, enz. Dat niet alle zaken op dit gebied soepel verliepen, bewijst een opmerkelijk bericht van 16 februari 1901 met nietigverklaring van het vonnis over het faillissement van rijwielhandelaar J.C.P. Steenhauer jr. In contrast hiermee werd in 1903 op de Langebrug, op nummer 20, een nieuwe zaak geopend. Twee dagen later meldde de krant dat de zaak wegens ziekte tijdelijk gesloten werd. Of hij daarna volledig herstelde, blijkt niet uit vervolgberichten over zijn rijwielhandel; die bleven uit.
Leidsch Dagblad 1903 4 juni pag. 4
Hij bereidde zich voor op zijn huwelijk met Johanna Maria Henriette Schwab (20 jaar), geboren te Amsterdam. Hier werd ook het huwelijk voltrokken, op 28 november 1907. Het moet wel een schok hebben gegeven toen zijn vader Jan Carel Pieter Steenhauer (80 jaar) nog voor het einde van het jaar op 29 december 1907 overleed. Hij werd begraven op begraafplaats Groenesteeg. Ondertussen was de zuivelhandel in de Mandenmakerssteeg nog steeds actief en prees men de waren via de kranten aan. Neeltje Steenhauer-Maat kondigde in 1913 haar vertrek aan naar ‘s-Gravenhage en liet zich met haar zoon en dochter, respectievelijk Jan Carel Pieter en Jannetje Anna Catharina Steenhauer, in de 1e Van der Boschstraat 52 aldaar registreren. Kort daarna, op 29 maart 1913, overleed na een kortstondige ziekte op 33-jarige leeftijd Jan Carel Pieter Steenhauer in Amsterdam. Het duurde niet lang meer voordat het winkelhuis en pakhuis in de Mandenmakerssteeg in bod werden gebracht; dit gebeurde op 8 augustus 1921.
Mandenmakerssteeg .............. Leidsch Dagblad, 1921 26 juli pag. 4
circa 1900
ELO-beeldarchief
Met het overlijden van Neeltje Maat (81 jaar), weduwe van Jan Carel Pieter Steenhauer, op 8 mei 1926 ging de levendige handel in boter kaas en eieren in de Mandenmakerssteeg als een nachtkaarsje uit.
Tegenwoordig zijn bovengenoemde percelen opgegaan in een groter geheel.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie of contact met de commissie raadpleeg ons colofon.