Verhaal: “Leiden blijft voor mij de plek waar ik hoor”
- Leiden
- Geschiedenis 1901-1950
- Geschiedenis 1951- heden
Interview met de heer A. van Duijn, 12 februari 2025
De heer Albert van Duijn werd vlak voor het uitbreken van de oorlog in de Leidse Herensteeg geboren als derde kind.
Vader werkte bij een afdeling van Van Gend & Loos. Tijdens de oorlog wist hij in een gebouw van dat bedrijf te vluchten toen hij bij een razzia, samen met andere mannen, op straat was opgepakt. De groep liep onder Duitse bewaking langs Van Gend & Loos op de Rijnsburgersingel toen vader plotseling wegrende en zich verborg onder een berg kolen. Hij wachtte daar tot het donker was en kwam tot grote opluchting van moeder thuis, pikzwart van het kolengruis.

Herensteeg richting Pieterskerk, links de Scheepmakerssteeg - foto Herman Kleibrink 1957
Zonder vader zou het leven wel heel zwaar zijn geweest. In de Hongerwinter werkte hij hier en daar bij boeren en bracht dan wat eten mee.
Op zijn 46ste kreeg hij tijdens het werk een ernstig ongeluk. Bij het verladen van boomstammen viel er een bovenop hem en verbrijzelde zijn heup. Het kwam niet meer goed. Van Gend & Loos stopte de loonbetaling, wat een buitengewoon moeilijke periode betekende. Moeder ging als schoonmaakster werken en kookte voor rijkere families. Het gezin verhuisde naar het Hof Meermansburg. Albert was zes jaar.
Sodemieter op!
Van huis uit was moeder katholiek. Een logische keuze was daarom de St. Barbaraschool op het Levendaal als kleuterschool voor Albert. Het was er streng onder het bewind van zuster Geria. Soms werden kinderen geslagen als ze ongehoorzaam waren. En het matjesvlechten, daar vond Albert helemaal niks aan.
De keuze voor het lager onderwijs leidde tot een breuk met de kerk. Alberts oudere broertje Nico bleek op de Don Boscoschool aan het Rapenburg in de groep geplaatst te zijn met jongens die voorbestemd waren voor de ambachtsschool. Moeder ging vragen waarom dat was. Nico had immers zulke goede cijfers dat hij gemakkelijk meekon in de hbs-groep. De selectie bleek gebaseerd te zijn op de welstand van de ouders. Moeder was hels. Ze zei: “Nou dat vind ik niet christelijk!” Ze haalde Nico subiet van school en meldde hem aan bij de openbare Langebrugschool.
Toen Albert naar diezelfde school ging, stond de kapelaan van de Petruskerk bij zijn ouders voor de deur. Hij dreigde dat moeder niet meer welkom zou zijn in de kerk als de kinderen geen katholiek onderwijs kregen. Hij herhaalde zijn bezoek, maar de derde keer was ook meteen de laatste. Albert luisterde stiekem mee en hoorde zijn furieuze moeder roepen: “Jullie zijn farizeeërs. En sodemieter op, ik wil er niks meer mee te maken hebben!” Waarop de kapelaan bij zijn snelle aftocht in het trapgat viel.
Tegen de nazi’s
Een probleem ontstond toen op school bekend werd dat Alberts moeder van oorsprong Duitse was. Hij werd uitgescholden voor mof en niemand wilde naast hem lopen. Het nieuwtje verspreidde zich. En op een dag - hij was 10 of 11 - stond een groepje jongens van een andere school hem op te wachten. Hun bedoeling was duidelijk: hem in elkaar slaan.
“Vuile rotmof!” begon er een te roepen. Albert schrok er niet voor terug. “Nou, één voor één”, zei hij. De eerste stapte op hem af en pakte hem beet. “Ik had hem zo op de grond en daar lag ie. Nou, toen was het eigenlijk voorbij.” De anderen durfden niet meer. Heerlijk was dat. Hij heeft het nooit aan zijn moeder verteld.
Wat moeder wel ontdekte, was dat ook een onderwijzeres hem pestte. Albert leed daaronder. Ze ging naar school en sprak de juffrouw er fel op aan: "Ik begrijp dit niet, ik vind dit verschrikkelijk. Ik ben tegen de nazi's, tegen Hitler, en dan ga jij een kind dat daar niks mee te maken heeft, ga jij eigenlijk zo behandelen. Dan ben je niet beter dan een [...]"
Daarna kon Albert geen kwaad meer doen, wat hij ook niet prettig vond.
Vegetarische marinier
Nico ging ten slotte naar de hbs, maar Albert was gefascineerd door wat hij zag door de ramen van de instrumentmakersschool. Daar wilde hij naartoe. Hij was te jong, maar na een oersaai jaar op het vglo, een jaar ‘vijlen’ op de ambachtsschool en een jaar als leerjongen in de instrumentmakerij van het Organisch Chemisch Laboratorium in de Hugo de Grootstraat, werd hij er toegelaten.

MSG school Pieterskerkgracht - foto 1965
Daarna volgde het toenmalige Mathesis Scientiarum Genitrix met elektrotechniek. Na afronding van die opleiding lag de militaire dienst in het vooruitzicht. Omdat Albert daarvoor net te jong was, nam hij een tijdelijke baan aan als houtsjouwer bij Panagro in Warmond. Vanaf grote schuiten moest hij planken lossen. Zwaar werk was dat, maar Albert genoot van het gebruik van zijn spierkracht.
Met grote tegenzin meldde hij zich voor de dienstplicht. Hij koos voor de Marine. Dat leek hem als botenliefhebber nog het dragelijkst. De tegenvaller was groot toen hij in Doorn - “zo droog als ik weet niet wat” - bij de mariniers werd ingelijfd. Door de zware training kreeg hij ten slotte wel een sportievere inslag dan hij had kunnen vermoeden.
Er ontstond wat gedoe doordat Albert weigerde vlees te eten. Uiteindelijk kreeg hij een apart dieet met veel kaas en eieren, wat weer vervelende reacties van medesoldaten uitlokte, en ongewenst gedrag van de sergeant.
Vuurzwam
Terug in burgerpak, trok Albert weer in bij zijn ouders in het Hof Meermansburg.
In 1966 trouwde hij met zijn buurmeisje. Ze woonden primitief op twee kamers in Rijswijk, waar Albert inmiddels als instrumentmaker werkte bij het KIWA. Later konden ze het huis van haar ouders kopen op de Oude Vest, naast Meermansburg. Het was een groot pand waar schoonvader tot dan toe zijn schildersbedrijf in had: A.F. Goutier & Zn.

Oude Vest 157 naast het Hof Meermansburg - foto 1967
Heel jammer was dat de fraaie jugendstilgevel was aangetast door vuurzwam. Al het hout was door en door verrot. Albert heeft het pand eigenhandig moeten renoveren.
Het huwelijk hield geen stand, maar Albert is heel blij met zijn mooie kinderen en kleinkinderen, ook die uit een latere relatie.
Door wisseling van banen woonde hij op verschillende plaatsen in het land, van Hardenberg en Dedemsvaart tot in een vrijstaand huis op een duin in Callantsoog.
“Maar Leiden blijft voor mij toch de plek waar ik hoor en waar ik geboren ben en wat ik nog steeds prachtig vind.”
De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.
Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.
Een bijlage met foto's is hier te bekijken.
Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.
Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl
Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.
Vader werkte bij een afdeling van Van Gend & Loos. Tijdens de oorlog wist hij in een gebouw van dat bedrijf te vluchten toen hij bij een razzia, samen met andere mannen, op straat was opgepakt. De groep liep onder Duitse bewaking langs Van Gend & Loos op de Rijnsburgersingel toen vader plotseling wegrende en zich verborg onder een berg kolen. Hij wachtte daar tot het donker was en kwam tot grote opluchting van moeder thuis, pikzwart van het kolengruis.
Herensteeg richting Pieterskerk, links de Scheepmakerssteeg - foto Herman Kleibrink 1957
Zonder vader zou het leven wel heel zwaar zijn geweest. In de Hongerwinter werkte hij hier en daar bij boeren en bracht dan wat eten mee.
Op zijn 46ste kreeg hij tijdens het werk een ernstig ongeluk. Bij het verladen van boomstammen viel er een bovenop hem en verbrijzelde zijn heup. Het kwam niet meer goed. Van Gend & Loos stopte de loonbetaling, wat een buitengewoon moeilijke periode betekende. Moeder ging als schoonmaakster werken en kookte voor rijkere families. Het gezin verhuisde naar het Hof Meermansburg. Albert was zes jaar.
Sodemieter op!
Van huis uit was moeder katholiek. Een logische keuze was daarom de St. Barbaraschool op het Levendaal als kleuterschool voor Albert. Het was er streng onder het bewind van zuster Geria. Soms werden kinderen geslagen als ze ongehoorzaam waren. En het matjesvlechten, daar vond Albert helemaal niks aan.
De keuze voor het lager onderwijs leidde tot een breuk met de kerk. Alberts oudere broertje Nico bleek op de Don Boscoschool aan het Rapenburg in de groep geplaatst te zijn met jongens die voorbestemd waren voor de ambachtsschool. Moeder ging vragen waarom dat was. Nico had immers zulke goede cijfers dat hij gemakkelijk meekon in de hbs-groep. De selectie bleek gebaseerd te zijn op de welstand van de ouders. Moeder was hels. Ze zei: “Nou dat vind ik niet christelijk!” Ze haalde Nico subiet van school en meldde hem aan bij de openbare Langebrugschool.
Toen Albert naar diezelfde school ging, stond de kapelaan van de Petruskerk bij zijn ouders voor de deur. Hij dreigde dat moeder niet meer welkom zou zijn in de kerk als de kinderen geen katholiek onderwijs kregen. Hij herhaalde zijn bezoek, maar de derde keer was ook meteen de laatste. Albert luisterde stiekem mee en hoorde zijn furieuze moeder roepen: “Jullie zijn farizeeërs. En sodemieter op, ik wil er niks meer mee te maken hebben!” Waarop de kapelaan bij zijn snelle aftocht in het trapgat viel.
Tegen de nazi’s
Een probleem ontstond toen op school bekend werd dat Alberts moeder van oorsprong Duitse was. Hij werd uitgescholden voor mof en niemand wilde naast hem lopen. Het nieuwtje verspreidde zich. En op een dag - hij was 10 of 11 - stond een groepje jongens van een andere school hem op te wachten. Hun bedoeling was duidelijk: hem in elkaar slaan.
“Vuile rotmof!” begon er een te roepen. Albert schrok er niet voor terug. “Nou, één voor één”, zei hij. De eerste stapte op hem af en pakte hem beet. “Ik had hem zo op de grond en daar lag ie. Nou, toen was het eigenlijk voorbij.” De anderen durfden niet meer. Heerlijk was dat. Hij heeft het nooit aan zijn moeder verteld.
Wat moeder wel ontdekte, was dat ook een onderwijzeres hem pestte. Albert leed daaronder. Ze ging naar school en sprak de juffrouw er fel op aan: "Ik begrijp dit niet, ik vind dit verschrikkelijk. Ik ben tegen de nazi's, tegen Hitler, en dan ga jij een kind dat daar niks mee te maken heeft, ga jij eigenlijk zo behandelen. Dan ben je niet beter dan een [...]"
Daarna kon Albert geen kwaad meer doen, wat hij ook niet prettig vond.
Vegetarische marinier
Nico ging ten slotte naar de hbs, maar Albert was gefascineerd door wat hij zag door de ramen van de instrumentmakersschool. Daar wilde hij naartoe. Hij was te jong, maar na een oersaai jaar op het vglo, een jaar ‘vijlen’ op de ambachtsschool en een jaar als leerjongen in de instrumentmakerij van het Organisch Chemisch Laboratorium in de Hugo de Grootstraat, werd hij er toegelaten.
MSG school Pieterskerkgracht - foto 1965
Daarna volgde het toenmalige Mathesis Scientiarum Genitrix met elektrotechniek. Na afronding van die opleiding lag de militaire dienst in het vooruitzicht. Omdat Albert daarvoor net te jong was, nam hij een tijdelijke baan aan als houtsjouwer bij Panagro in Warmond. Vanaf grote schuiten moest hij planken lossen. Zwaar werk was dat, maar Albert genoot van het gebruik van zijn spierkracht.
Met grote tegenzin meldde hij zich voor de dienstplicht. Hij koos voor de Marine. Dat leek hem als botenliefhebber nog het dragelijkst. De tegenvaller was groot toen hij in Doorn - “zo droog als ik weet niet wat” - bij de mariniers werd ingelijfd. Door de zware training kreeg hij ten slotte wel een sportievere inslag dan hij had kunnen vermoeden.
Er ontstond wat gedoe doordat Albert weigerde vlees te eten. Uiteindelijk kreeg hij een apart dieet met veel kaas en eieren, wat weer vervelende reacties van medesoldaten uitlokte, en ongewenst gedrag van de sergeant.
Vuurzwam
Terug in burgerpak, trok Albert weer in bij zijn ouders in het Hof Meermansburg.
In 1966 trouwde hij met zijn buurmeisje. Ze woonden primitief op twee kamers in Rijswijk, waar Albert inmiddels als instrumentmaker werkte bij het KIWA. Later konden ze het huis van haar ouders kopen op de Oude Vest, naast Meermansburg. Het was een groot pand waar schoonvader tot dan toe zijn schildersbedrijf in had: A.F. Goutier & Zn.
Oude Vest 157 naast het Hof Meermansburg - foto 1967
Heel jammer was dat de fraaie jugendstilgevel was aangetast door vuurzwam. Al het hout was door en door verrot. Albert heeft het pand eigenhandig moeten renoveren.
Het huwelijk hield geen stand, maar Albert is heel blij met zijn mooie kinderen en kleinkinderen, ook die uit een latere relatie.
Door wisseling van banen woonde hij op verschillende plaatsen in het land, van Hardenberg en Dedemsvaart tot in een vrijstaand huis op een duin in Callantsoog.
“Maar Leiden blijft voor mij toch de plek waar ik hoor en waar ik geboren ben en wat ik nog steeds prachtig vind.”
De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.
Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.
Een bijlage met foto's is hier te bekijken.
Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.
Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl
Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.