Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: voormalige Gemeentereiniging aan de Noorderstraat en Maresingel

  • Genealogie
  • Hillegom
  • Gebouwen

Noorderstraat - Houtmarkt

...
GT_2122 - Gezicht op de watertoren - foto's J. de Jonge

Vanaf het ontstaan van de stad Leiden is de afvoer van vuil een heel gedoe geweest. Tal van vuilnismannen, baggeraars en tegenwoordig chauffeurs met een joystick om ondergrondse containers te legen hebben er ook hun (karige) boterham mee verdiend. Bracht vroeger vuilnis best veel geld op en waren pachters zeer geïnteresseerd in wat de mensen weggooiden, tegenwoordig kost het alleen maar heel veel, ondanks dat we scheiden tot op de kleur van het glas. Er is dus wel een soort revolutie geweest, zo’n honderd jaar geleden, en daaraan dankt Leiden een aantal bedrijfsgebouwen die gelukkig niet gesloopt, maar omgebouwd zijn. Wie door het Singelpark loopt of over de Maresingel rijdt, kan die gebouwen nog steeds bewonderen. Het opvallendst is wel een soort torentje met een wat grotere kubus er bovenop, met op de hoeken een soort torentjes die, ondanks dat ze afgeplat zijn en één een schoorsteen bevat, een beetje aan een Vlaams belfort doen denken. Maar het is slechts een watertorentje. Vanwaar hier zo’n voorziening, terwijl er toch al waterleiding was en de nieuwe watertoren aan de Hoge Rijndijk (bij de Wilhelminabrug) nog niet zo lang daarvoor (1908) opgeleverd was?

...
Hoek Houtmarkt - Noorderstraat

De geschiedenis van de vuilafvoer c.a. is uitvoerig beschreven door Cor Smit in zijn Leiden met een luchtje. In dit vele eeuwen omvattende verhaal is uiteraard ook aandacht besteed aan die ‘revolutie’, maar niet heel uitgebreid. Leiden verpachtte het ophalen van vuil en bagger en de pachter mocht dat op stalen laten composteren; deze vuilnisstalen (denk maar aan Staalwijk, een vroeger buitentje waarnaar een buurt genoemd is) waren soms eigendom van de gemeente. Zo ook die aan de Nieuwe Rijn, tegenover die watertoren. Maar in 1909 maakte de provincie plannen voor een nieuw kanaal (de Nieuwe Vaart) tussen Lammen en de Zijl, dat dwars over die stalen zou gaan lopen. En nu stond de gemeente op een tweesprong: door blijven gaan met het op een vuilnisbelt gooien van het afval en dat laten composteren, met alle stank en gedoe van dien en tegen steeds grotere kosten, of gaan verbranden. Dat was de hype van dat moment: alle grote steden gingen verbranden en Leiden kon natuurlijk niet achterblijven. Het pachtcontract met de Gebroeders Blok uit ’s-Gravendeel liep tot 31 december 1913 en dus had men maar een beperkt aantal jaren de tijd om eventueel ook op verbranding over te gaan. Natuurlijk kon men ook elders land aankopen om daar nieuwe stalen te maken, zoals bij de al bestaande stalen aan de Slaagsloot of Stinksloot, die gebruikt werden om elders opgegraven botten en aan besmettelijke ziekten overleden dieren te verbranden – een soort crematorium of destructie dus. Maar Leiderdorp had dit juridisch dichtgetimmerd: in die gemeente mochten geen nieuwe vuilnisstalen meer gemaakt worden. En bij Oegstgeest of Zoeterwoude zou de wind verkeerd staan, als die ook al niet naar die noodrem zouden grijpen zodra er plannen dreigden. Dus dan toch maar gaan verbranden?



B & W dienden voorstellen in bij de Gemeenteraad, die die op 9 juni 1910 uitvoerig besprak. Voor iemand die toch al heel veel geleuter in de Raad heeft gelezen, slaat dit onderwerp eigenlijk wel alles: over ieder punt van de ‘revolutie’ werd urenlang gedebiteerd. Wie al die betogen van de aartsdwarsligger Fokker leest, moet niet alleen veel zitvlees hebben, maar ergert zich nog plaatsvervangend. Het zal zijn zuinige aard wel geweest zijn, maar er moest altijd geknepen worden en alles was steeds maar te duur. Nu weet iedereen dat grote plannen doorgaans uit de hand lopen en véél duurder uitvallen dan aanvankelijk voorgespiegeld, maar hier viel ook werkelijk àlles tegen. In ieder geval werd besloten om een zeer uitvoerig advies te vragen, wat zomaar 1500 gulden mocht kosten, van twee deskundigen, V. de Groot en G.A. de Monyé. Die deden hun werk uiterst grondig, wat wel de nodige tijd kostte. Natuurlijk vond Fokker dat er gemanipuleerd was met de cijfers (waar hij wellicht niet eens veel ongelijk in had), maar op 15 juni 1911 besloot de Raad zo goed als unaniem tot verbranding en daarom de reiniging niet meer te verpachten, maar in eigen beheer te nemen. Ja, eigen beheer, maar hoe dan? Elders had men een aparte Reinigingsdienst, maar daar wilde een flink aantal raadsleden, uiteraard onder aanvoering van Fokker, niet aan: het moest maar een onderdeel van Gemeentewerken worden. De directeur daarvan kon dan een extraatje krijgen (dat werd 500 gulden), wat het salaris van een aparte directeur uitspaarde. De verbranding zou onder de SLF gaan ressorteren, want de warmte van het verbranden zou gebruikt worden om stoom te produceren voor de electriciteitsopwekking. Daarom moest de vuilverbranding aan de Langegracht komen, vrijwel naast de centrale. Men wilde het vuil gaan ophalen in speciale karren, die door paarden getrokken zouden worden (waar Blok vooral met handkarren werkte), zodat er stallingen voor paarden en karren moesten komen, en nog heel veel meer. In het rapport van de twee deskundigen was in het midden gelaten waar die gebouwen zouden staan of gebouwd worden; hiervoor was een bedrag van f 48.000 uitgetrokken. Uiteindelijk werd besloten om hiervoor het terrein van de gemeente aan de Maresingel te bestemmen. Alleen: daar was de stadsboomkwekerij gevestigd, waar jonge boompjes opgroeiden tot ze elders in de stad geplant konden worden. Nu was er wel een terrein in de buurt van Endegeest waarheen de kwekerij verplaatst kon worden, maar ook dat was niet gratis.

...
Toegangshek in 1999 en 2021 met klok en op de palen ANNO en 1913 (foto links ELO)

Om de plannen te realiseren was het nuttig om alvast bij Gemeentewerken een ambtenaar te benoemen die later de adjunct-directeur voor de Reiniging kon worden; dit werd Ch. de Koning. Hij heeft het programma van eisen (zoals we dat nu noemen) opgesteld en de directeur, ir. G.L. Driessen, meer bouwkundige dan technicus, ontwierp de gebouwen. Voor de technische installaties van de vuilverbranding zal zijn adjunct, ir. Rückert, wel de aangewezen man zijn geweest; wellicht was alles al geregeld toen hij naar Tilburg vertrok en zijn opvolger Dudok aantrad. Inmiddels waren de bouwkosten door extra eisen gestegen tot f 56.000,-- voor de zuivere bouwkosten, maar het leveren van het betonwerk voor o.m. de watertoren bracht het geheel tot zo’n 75.000,-- (uiteraard tot ongenoegen van dhr. Fokker). Die watertoren, in feite een groot reservoir op enige hoogte, was nodig om water uit de Maresingel op te kunnen pompen (daarvoor was er een pomp met een electromotor van 5 PK onderin de toren, waar het schuine gedeelte zit); duinwater van de LDM (waar overigens de gemeente aandeelhouder van was) zou veel te duur zijn. Daardoor zou er altijd water zijn voor de paarden en het schoonspuiten van de vuilniskarren met hoge druk. Er kwamen immers maar liefst 23 paarden in het deel waar de watertoren op staat (het andere gebouw was administratiegebouw en onderkomen voor het personeel). De Raad moest wel even slikken, op de vergadering van 19 december 1912, maar keurde uiteindelijk unaniem de plannen goed. Hierna kon de aanbesteding plaatsvinden op 6 januari 1913, zodat er een jaar bouwtijd zou zijn. Uiteraard was er weer heel veel geharrewar toen B & W voorstelden om de betonwerken bij onderhandse aanbesteding te gunnen aan de Koninklijke Rotterdamsche Betonijzer Maatschappij voorheen Van Waning & Co., waar het Leidse Wernink maar weinig duurder geoffreerd had. Met 24 tegen 3 stemmen volgde de Raad op 9 januari het College.

En zo werd er doorgebouwd. Nog een steen des aanstoots was een soort verzamelstation in het zuiden van de stad: B & W wilden het woonhuis St. Jacobsgracht 4 kopen voor f 2000 en laten slopen en nieuw opbouwen voor f 7000,--; bij de aanbesteding op 18 augustus was de laagste inschrijver met f 5972,-- P.L. Neuteboom. Ook wilde men nog een andere noviteit: ijzeren vuilnisemmers! Die waren uiteraard veel hygiënischer, en met de invoering ervan zou Leiden de allereerste gemeente in Nederland zijn waar het vuil in vuilnisemmers opgehaald zou worden en daarna verbrand. De rijkere Leidenaar moest de kostprijs ad f 2,50 betalen, maar de minder rijken werden door de gemeente gelokt met een korting van een gulden.


Gezicht vanaf de Maresingel op de
Gemeentereiniging met voertuigenopslag,
begin 20ste eeuw. Foto ELO

Aan het eind van het jaar werd een grote activiteit aan de dag gelegd: de paarden en hun voer en strooisel moesten gekocht worden, de vuilniswagens gefabriceerd en personeel aangenomen. Slechts weinigen gingen van Blok over in gemeentedienst. Tot hun opzichter werd benoemd J. Neuteboom. En toen kwam de grote dag 1 januari 1914. Ondanks dat velen die dag liever in familiekring doorgebracht zullen hebben, vervoegden zich in totaal 68 personen in de gebouwen aan de Noorderstraat waar de Reiniging officieel in gebruik genomen werd. En daarmee was er een happy end, al moest de Leidenaar nu véél meer gaan betalen, zeker de kleine middenstand, die ineens ‘bedrijfsafval’ tegen hoog tarief moest laten ophalen. En dus regende het aanvankelijk klachten. Maar alles went, al zou er weinig zegen op de vuilverbranding rusten: al in 1920 werd ermee gestopt en ging men alles dumpen in de Nieuwkoopse Plassen. En al in 1933 werden alle paarden opgeruimd omdat men met vuilnisauto’s ging werken; de stallen werden uitgebroken en ingericht voor de ontsmettingsdienst. Tot op de dag van vandaag is de vuilnisverwijdering een grote kostenpost. Die investering in 1913 van zo’n f 261.000,-- (veel meer dan geraamd) was nog amper afgeschreven. Maar toch had men wel een mooi bedrijf. Wie wil zien hoe dat na 25 jaar fungeerde, moet maar eens de film “25 jaar Gemeentelijke Reinigings- en Ontsmettingsdienst” uit 1939 bekijken; die is op DVD uitgebracht door de toenmalige Dirk van Eck-Stichting in Stadsbeeld in beweging (deel 1 van de Leidse Historische Films). Altijd leuk, die oude films. En daarna even gaan kijken aan de Noorderstraat, waar de gebouwen nog staan, met een klok als gevelteken (al is het oude uurwerk zelf vervangen door een soort stationsklok) en op de palen in het toegangshek het opschrift ANNO en 1913.



Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur P. de Baar. Voor meer informatie of contact met de commissie, zie ons colofon.
kaart