Verhaal: BRAND!
- Leiden
- Geschiedenis 1901-1950
- Gebouwen
In de nacht van 11 op 12 februari 1929 brandde het Stadhuis bijna volledig af. In het archief van de GG en GD vonden wij onlangs een verslag van de directeur over de gebeurtenissen in deze nacht
In het archief van de GG&GD, daar geplaatst onder de kop “Bijzondere rampen”, bevinden zich drie priegelig met de hand beschreven bladen met de volgende tekst:
RAPPORT BETREFFENDE DEN BRAND VAN HET STADHUIS.
In de nacht van 11 op 12 Febr[uari] 1929 te ± 5 1/4 uur werd ik gewekt door een telephonische mededeeling van den conciërge (“den heer Gordijn”, doorgestreept) van het gebouw Breestraat 119, dat het stadhuis in brand stond.
Bij aankomst brandt het stadhuis inclusief de toren, van boven tot beneden, behalve het rechter gedeelte tot ± 3 vensters van de trap. Terwijl ik door de Koornbeurssteeg liep, viel de toren. Het vuur kroop tegen den wind in in de rechtervleugel van het stadhuis verder, en het was duidelijk dat ook Breestraat 119 gevaar zou gaan loopen. Ik begon daarom het archief van den Geneeskundige Dienst naar buiten te dragen met behulp van den conciërge. Ook bracht ik de vrouw van den conciërge uit het huis en naar een winkel in de buurt.
Breestraat 119 brandde op een gegeven oogenblik van boven aan het vlieringraam, doch kwam er zonder veel schade af.
Aangezien de doortocht voor het publiek versperd was, werd, in overleg met den Wethouder en den Commissaris van politie, tijdelijk bureau gehouden in een kamer van het politiebureau. Een en ander werd per bulletin van 4 uur ’s-middags bekend gemaakt.
Op het terrein van den brand aankomende, vernam ik dat de Hulpdienst reeds van het begin af in actie was geweest, en zich aan de andere zijde van den brand bevond. Ik bleef daarom aan de zijde van de Koornbeurssteeg, om zoonoodig geneeskundige hulp te verleenen. Te 8 uur kwam zuster van Ingen Schenau. Ik stelde haar onder de bevelen van den semi – arts van den Eerste Hulpdienst. Zuster de Heus was nog ziek tehuis. Zuster van (naam onleesbaar) nauwelijks hersteld verhoudt zich ook, doch werd door mij heden naar huis gestuurd.
Toen het bleek dat de brand zich naar die zijde niet meer uitbreidde, zocht ik den arts van den Eerste hulpdienst op. Wij bleven ter beschikking, meest in den winkel van de F[irm]a Wolff, op den hoek van Maarsmanstraat en Breestraat, en hielpen enkele gewonden, lieden die flauw vielen, masseerden bevroren vingers enz.
Te kwart over 11 begaf ik mij naar huis om mij behoorlijk aan te kleeden en te wasschen, en loste om kwart over 12 den semi –arts, den Heer de Mooy af.
Om 3.15 deed ik de Hulpdienst inrukken.
Zoowel de semi –arts, als de Heer Dieben en diens personeel [ambulancedienst] hebben voortreffelijk gewerkt; hetzelfde geldt voor zuster van Ingen Schenau.
De samenwerking met politie en brandweer liet niets te wensen over.
De directeur van de G.G.D. dr. M.D. Horst.
Lijst van patiënten
De Heer D. van Lith, meldde zich den veertienden des ochtends bij den geneeskundigen dienst, 2 bevroren vingertoppen; naar dr. de Muyers Groeneveld gezonden.
De Heer J.B.B. Boose, kreeg gedurende den brand een vallende straalpijp op zijn hoofd. Bloedende hoofdwond, algemeene toestand baarde wat zorg, waarschijnlijk lichte hersenschudding. Per brancard naar huis vervoerd. Goed afgeloopen, kan na enkele dagen weer dienst doen.
Van Voorschoten’s brandweer zijn eenige mannen enkele dagen ongesteld geweest, doch zonder ernstige gevolgen.
De semi – arts van den Eerste Hulpdienst ging Vrijdag met 39.5 naar bed. Vermoedelijk koude gevat bij den brand.
(onder voorlopig nummer 964)
De drie afbeeldingen hieronder vormen samen het verslag.
Door er op te klikken kunt u ze in een groter formaat downloaden



RAPPORT BETREFFENDE DEN BRAND VAN HET STADHUIS.
In de nacht van 11 op 12 Febr[uari] 1929 te ± 5 1/4 uur werd ik gewekt door een telephonische mededeeling van den conciërge (“den heer Gordijn”, doorgestreept) van het gebouw Breestraat 119, dat het stadhuis in brand stond.
Bij aankomst brandt het stadhuis inclusief de toren, van boven tot beneden, behalve het rechter gedeelte tot ± 3 vensters van de trap. Terwijl ik door de Koornbeurssteeg liep, viel de toren. Het vuur kroop tegen den wind in in de rechtervleugel van het stadhuis verder, en het was duidelijk dat ook Breestraat 119 gevaar zou gaan loopen. Ik begon daarom het archief van den Geneeskundige Dienst naar buiten te dragen met behulp van den conciërge. Ook bracht ik de vrouw van den conciërge uit het huis en naar een winkel in de buurt.
Breestraat 119 brandde op een gegeven oogenblik van boven aan het vlieringraam, doch kwam er zonder veel schade af.
Aangezien de doortocht voor het publiek versperd was, werd, in overleg met den Wethouder en den Commissaris van politie, tijdelijk bureau gehouden in een kamer van het politiebureau. Een en ander werd per bulletin van 4 uur ’s-middags bekend gemaakt.
Op het terrein van den brand aankomende, vernam ik dat de Hulpdienst reeds van het begin af in actie was geweest, en zich aan de andere zijde van den brand bevond. Ik bleef daarom aan de zijde van de Koornbeurssteeg, om zoonoodig geneeskundige hulp te verleenen. Te 8 uur kwam zuster van Ingen Schenau. Ik stelde haar onder de bevelen van den semi – arts van den Eerste Hulpdienst. Zuster de Heus was nog ziek tehuis. Zuster van (naam onleesbaar) nauwelijks hersteld verhoudt zich ook, doch werd door mij heden naar huis gestuurd.
Toen het bleek dat de brand zich naar die zijde niet meer uitbreidde, zocht ik den arts van den Eerste hulpdienst op. Wij bleven ter beschikking, meest in den winkel van de F[irm]a Wolff, op den hoek van Maarsmanstraat en Breestraat, en hielpen enkele gewonden, lieden die flauw vielen, masseerden bevroren vingers enz.
Te kwart over 11 begaf ik mij naar huis om mij behoorlijk aan te kleeden en te wasschen, en loste om kwart over 12 den semi –arts, den Heer de Mooy af.
Om 3.15 deed ik de Hulpdienst inrukken.
Zoowel de semi –arts, als de Heer Dieben en diens personeel [ambulancedienst] hebben voortreffelijk gewerkt; hetzelfde geldt voor zuster van Ingen Schenau.
De samenwerking met politie en brandweer liet niets te wensen over.
De directeur van de G.G.D. dr. M.D. Horst.
Lijst van patiënten
De Heer D. van Lith, meldde zich den veertienden des ochtends bij den geneeskundigen dienst, 2 bevroren vingertoppen; naar dr. de Muyers Groeneveld gezonden.
De Heer J.B.B. Boose, kreeg gedurende den brand een vallende straalpijp op zijn hoofd. Bloedende hoofdwond, algemeene toestand baarde wat zorg, waarschijnlijk lichte hersenschudding. Per brancard naar huis vervoerd. Goed afgeloopen, kan na enkele dagen weer dienst doen.
Van Voorschoten’s brandweer zijn eenige mannen enkele dagen ongesteld geweest, doch zonder ernstige gevolgen.
De semi – arts van den Eerste Hulpdienst ging Vrijdag met 39.5 naar bed. Vermoedelijk koude gevat bij den brand.
(onder voorlopig nummer 964)
De drie afbeeldingen hieronder vormen samen het verslag.
Door er op te klikken kunt u ze in een groter formaat downloaden