Verhaal: “Dat heb ik toch allemaal mee mogen maken.”
- Leiden
- Geschiedenis 1901-1950
- Geschiedenis 1951- heden
Interview met mevrouw C. Zaalberg-Verbiest, 9 november 2023
Mevrouw Catharina (Tine) Zaalberg-Verbiest werd in oktober 1932 geboren in Leiden, in een gezin dat uiteindelijk zeven kinderen telde.
De straat waar ze geboren is, de Sint Michielstraat, een zijstraatje van de Sint Ursulasteeg, bestaat niet meer. Het huisje was zo piepklein dat het gezin wel moest verhuizen toen er vier kinderen waren. Het werd een bovenhuis in de Lange Lijsbethsteeg. Ook dat was eigenlijk al te klein; er waren twee kamers en een zolder. Het volgende huis stond in de Aarstraat. Opnieuw te klein. In de voorkamer sliepen twee jongens, in de achterkamer drie jongens in een tweepersoonsbed; Tine en haar zusje hadden een tweepersoonsbed dat net in een zolderkamertje paste. Maar een grote verbetering ten opzichte van de zolder van het bovenhuis, waar het zomers brandend heet was en ’s winters de ijspegels door het dak lekten.

Huis aan de Lange Lijsbethsteeg
Vader was tuinman en werkte als dagloner bij de gemeente voor een loon van 18 gulden en 3 cent per week. Bij vorst lag het werk stil; dan kreeg hij 14 gulden steun.
Een lieve opa die hier en daar bij slagers werkte, was niet rijk, maar er rammelden wel eens een paar guldens in zijn zak. Tine en de andere kinderen konden daar - in ruil voor een knuffeltje - wel eens wat van krijgen, vooral als opa te veel gedronken had. En dat gebeurde vaak. Met drie van die guldens kon er zomaar voor twee dagen brood gekocht worden.
Vader verdeelde drie centen van zijn loon onder de drie oudste kinderen. Die renden er onmiddellijk mee naar Arie Siere, een kleine kruidenier die een buurtwinkeltje had in zijn voorkamer. Voor die cent kon je bij hem snoep kopen!
In de oorlog kreeg vader een oproep om naar Duitsland te gaan voor de Arbeitseinsatz. Hij weigerde pertinent en dook onder, terwijl moeder alleen achterbleef met vijf jonge kinderen en een pasgeboren baby. Vader wist nog iets te verdienen als particulier tuinman in Oegstgeest. Na de oorlog kreeg hij bij de gemeente een vaste aanstelling, salarisverhoging en werd hij bij vorstverlet doorbetaald.
Dat deed men niet
Moeder, een mooie trotse vrouw, had fijne handjes waarmee ze prachtig kon borduren en mooie kleding breien en naaien. Tine kreeg een keer juweeltjes van aangeklede poppetjes voor haar poppenhuis tijdens het gezellige sinterklaasfeest waar moeder altijd voor zorgde. Een knuffelmoeder was ze niet. Het grote gezin overkwam haar, maar op een subtiele uitnodiging van de NVSH om over geboortebeperking te praten, ging ze niet in. Dat deed men niet.
Het geloof speelde geen grote rol in het gezin. Ze waren hervormd. Tine was baptistisch gedoopt en moest wel naar de zondagsschool, maar dat laatste had er meer mee te maken dat moeder dan even de handen (en ruimte) vrij had om te koken. De jongens gingen ’s middags naar de christelijke jongerenvereniging.
Tine was graag in het Volkshuis aan de Apothekersdijk, waar ze kon knutselen, gratis een keer per week een boek lenen, en waar je verschillende clubjes had met zang en toneel. Haar hoogtepunt was dat ze op het jaarlijkse grote Lentefeest een keer lentekoningin mocht zijn, getooid met echte bloemen!

Kinderen vertrekken naar het Lentefeest - foto 9 jun 1956 Leidsch Dagblad
Lager onderwijs kreeg Tine op de Rijnsburgersingelschool. Toen tijdens de mobilisatie voor de Tweede Wereldoorlog Nederlandse militairen in de school gelegerd waren, werd het onderwijs tijdelijk op de Boommarkt gegeven, in het gebouw waar later de Webster University in gehuisvest werd.
Na de lagere school moest Tine naar de huishoudschool. Zeer tegen haar zin. Ze leerde er niets omdat het niveau veel te laag was voor haar en ze de huishoudelijke vakken thuis wel al had geleerd. Toen ze 14 werd en niet meer leerplichtig was, bleef ze thuis. Dat kwam goed uit, want moeder werd ziek en er kwam weer een kind. Als meisje van 15 moest ze het hele huisgezin draaiende houden.
Later ging ze voor 5 gulden per week aan de slag als dienstmeisje voor halve dagen. Waardeloos vond ze het, maar ze had geen keus.
Roklengte
Een van de vrienden van haar oudste broer was Arie, een jongeman die belangstelling voor haar toonde. Ze had gezien hoe andere meisjes in de buurt zich lieten misbruiken en daar wilde ze niets mee te maken hebben. De vriend was meer een uitweg dan een grote liefde. Ze ging met hem mee naar zijn ouders, een diepgelovig stel. Vooral de aanstaande schoonmoeder bekeek Tine kritisch: op haar geloof, de lengte van haar rok en of ze rookte. Drie weken voor haar 21ste verjaardag trouwde ze met Arie en elf maanden later kreeg ze haar eerste kind. Ze waren ingetrokken bij een tante in de Hansenstraat die een kleine zolder met een kamertje voor ze had, maar na een jaar ontstond er hommeles. Ze vertrokken en woonden vervolgens 10 maanden in bij Tines moeder, op een kamertje van 2 bij 2 meter en een tweede kind op komst.
Arie werkte als analist op het laboratorium van verffabriek Sikkens, die destijds een goed sociaal beleid had. Na stevig aandringen en dreigen met vertrek, kreeg hij een huurhuis dat Sikkens ter beschikking had, maar dat eigenlijk bedoeld was voor een hoger opgeleide. Het betekende een verhuizing naar de Wijttenbachweg in Oegstgeest. Tine en Arie woonden er 46 jaar.
Er kwamen nog twee kinderen en toen vond Tine het genoeg.
Geen zin meer
Tegen haar veertigste zei ze plotseling: "Ik heb geen zin meer in de huishouding". Waarop Arie haar adviseerde naar het Arbeidsbureau te gaan om een baan te zoeken. Wegens haar gebrek aan opleiding kon ze alleen geplaatst worden als schoonmaakster. Daar bedankte ze voor en via een open sollicitatie werd ze in het Academisch Ziekenhuis (AZL) aangenomen als keukenzuster. Ze bracht eten rond, maar langzamerhand schakelden ze haar ook in voor verpleegtaken, al bleven medicijnen uitdelen en prikken verboden. Tine heeft er gewerkt tot het AZL de nieuwbouw betrok. Ze kon kiezen tussen blijven werken tot 65 jaar, of uittreden met behoud van 70 procent van het salaris. Op dat moment was het eerste kleinkind op komst en de schoondochter wilde graag blijven werken. “Maak je geen zorgen”, zei Tine. Ze zegde het ziekenhuis vaarwel en werd oppasoma. Ze genoot ervan en bouwde een hechte band op met haar kleinkinderen.
Leiden, één verhaal
Toen ze het zich eenmaal konden permitteren, maakten Tine en Arie mooie reizen naar verschillende Europese landen en daarbuiten. Aanvankelijk met de tent en vaak naar Zwitserland. De laatst geplande reis zou naar Amerika voeren om daarmee hun 45-jarig huwelijk te vieren. Maar voor het zover was, overleed Arie, op 69-jarige leeftijd.

Klooster gezien naar de Sint Michielstraat. Recht handel in lompen Ets 1946
Van de eigen stad, Leiden, zag Tine vroeger niet hoe leuk die was. Na lange jaren in Oegstgeest gewoond te hebben, zag ze opeens het verschil: “Oegstgeest is mooi, maar daar zit voor mij niet veel verhaal in. En Leiden is één verhaal. Niet alleen de huizen, alles. Alles waar je in Leiden loopt heeft een verhaal achter zich. Dat buurtje waar ik gewoond heb, nou ja, dat was… hedendaags zou je zeggen: een stelletje achenebbisj wat er woonde. Maar achteraf denk je: het was toch wel apart. Wie woont nou ergens waar allemaal vuilnis- of lorreboeren wonen. En op het Klooster een stal met allemaal koeien, midden in de stad. Ja, toen vond je het eigenlijk wel een beetje vies. En dan denk ik: dat heb ik toch allemaal mee mogen maken.”
De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.
Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.
Een bijlage met foto's is hier te bekijken.
Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.
Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl
Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.
De straat waar ze geboren is, de Sint Michielstraat, een zijstraatje van de Sint Ursulasteeg, bestaat niet meer. Het huisje was zo piepklein dat het gezin wel moest verhuizen toen er vier kinderen waren. Het werd een bovenhuis in de Lange Lijsbethsteeg. Ook dat was eigenlijk al te klein; er waren twee kamers en een zolder. Het volgende huis stond in de Aarstraat. Opnieuw te klein. In de voorkamer sliepen twee jongens, in de achterkamer drie jongens in een tweepersoonsbed; Tine en haar zusje hadden een tweepersoonsbed dat net in een zolderkamertje paste. Maar een grote verbetering ten opzichte van de zolder van het bovenhuis, waar het zomers brandend heet was en ’s winters de ijspegels door het dak lekten.
Huis aan de Lange Lijsbethsteeg
Vader was tuinman en werkte als dagloner bij de gemeente voor een loon van 18 gulden en 3 cent per week. Bij vorst lag het werk stil; dan kreeg hij 14 gulden steun.
Een lieve opa die hier en daar bij slagers werkte, was niet rijk, maar er rammelden wel eens een paar guldens in zijn zak. Tine en de andere kinderen konden daar - in ruil voor een knuffeltje - wel eens wat van krijgen, vooral als opa te veel gedronken had. En dat gebeurde vaak. Met drie van die guldens kon er zomaar voor twee dagen brood gekocht worden.
Vader verdeelde drie centen van zijn loon onder de drie oudste kinderen. Die renden er onmiddellijk mee naar Arie Siere, een kleine kruidenier die een buurtwinkeltje had in zijn voorkamer. Voor die cent kon je bij hem snoep kopen!
In de oorlog kreeg vader een oproep om naar Duitsland te gaan voor de Arbeitseinsatz. Hij weigerde pertinent en dook onder, terwijl moeder alleen achterbleef met vijf jonge kinderen en een pasgeboren baby. Vader wist nog iets te verdienen als particulier tuinman in Oegstgeest. Na de oorlog kreeg hij bij de gemeente een vaste aanstelling, salarisverhoging en werd hij bij vorstverlet doorbetaald.
Dat deed men niet
Moeder, een mooie trotse vrouw, had fijne handjes waarmee ze prachtig kon borduren en mooie kleding breien en naaien. Tine kreeg een keer juweeltjes van aangeklede poppetjes voor haar poppenhuis tijdens het gezellige sinterklaasfeest waar moeder altijd voor zorgde. Een knuffelmoeder was ze niet. Het grote gezin overkwam haar, maar op een subtiele uitnodiging van de NVSH om over geboortebeperking te praten, ging ze niet in. Dat deed men niet.
Het geloof speelde geen grote rol in het gezin. Ze waren hervormd. Tine was baptistisch gedoopt en moest wel naar de zondagsschool, maar dat laatste had er meer mee te maken dat moeder dan even de handen (en ruimte) vrij had om te koken. De jongens gingen ’s middags naar de christelijke jongerenvereniging.
Tine was graag in het Volkshuis aan de Apothekersdijk, waar ze kon knutselen, gratis een keer per week een boek lenen, en waar je verschillende clubjes had met zang en toneel. Haar hoogtepunt was dat ze op het jaarlijkse grote Lentefeest een keer lentekoningin mocht zijn, getooid met echte bloemen!
Kinderen vertrekken naar het Lentefeest - foto 9 jun 1956 Leidsch Dagblad
Lager onderwijs kreeg Tine op de Rijnsburgersingelschool. Toen tijdens de mobilisatie voor de Tweede Wereldoorlog Nederlandse militairen in de school gelegerd waren, werd het onderwijs tijdelijk op de Boommarkt gegeven, in het gebouw waar later de Webster University in gehuisvest werd.
Na de lagere school moest Tine naar de huishoudschool. Zeer tegen haar zin. Ze leerde er niets omdat het niveau veel te laag was voor haar en ze de huishoudelijke vakken thuis wel al had geleerd. Toen ze 14 werd en niet meer leerplichtig was, bleef ze thuis. Dat kwam goed uit, want moeder werd ziek en er kwam weer een kind. Als meisje van 15 moest ze het hele huisgezin draaiende houden.
Later ging ze voor 5 gulden per week aan de slag als dienstmeisje voor halve dagen. Waardeloos vond ze het, maar ze had geen keus.
Roklengte
Een van de vrienden van haar oudste broer was Arie, een jongeman die belangstelling voor haar toonde. Ze had gezien hoe andere meisjes in de buurt zich lieten misbruiken en daar wilde ze niets mee te maken hebben. De vriend was meer een uitweg dan een grote liefde. Ze ging met hem mee naar zijn ouders, een diepgelovig stel. Vooral de aanstaande schoonmoeder bekeek Tine kritisch: op haar geloof, de lengte van haar rok en of ze rookte. Drie weken voor haar 21ste verjaardag trouwde ze met Arie en elf maanden later kreeg ze haar eerste kind. Ze waren ingetrokken bij een tante in de Hansenstraat die een kleine zolder met een kamertje voor ze had, maar na een jaar ontstond er hommeles. Ze vertrokken en woonden vervolgens 10 maanden in bij Tines moeder, op een kamertje van 2 bij 2 meter en een tweede kind op komst.
Arie werkte als analist op het laboratorium van verffabriek Sikkens, die destijds een goed sociaal beleid had. Na stevig aandringen en dreigen met vertrek, kreeg hij een huurhuis dat Sikkens ter beschikking had, maar dat eigenlijk bedoeld was voor een hoger opgeleide. Het betekende een verhuizing naar de Wijttenbachweg in Oegstgeest. Tine en Arie woonden er 46 jaar.
Er kwamen nog twee kinderen en toen vond Tine het genoeg.
Geen zin meer
Tegen haar veertigste zei ze plotseling: "Ik heb geen zin meer in de huishouding". Waarop Arie haar adviseerde naar het Arbeidsbureau te gaan om een baan te zoeken. Wegens haar gebrek aan opleiding kon ze alleen geplaatst worden als schoonmaakster. Daar bedankte ze voor en via een open sollicitatie werd ze in het Academisch Ziekenhuis (AZL) aangenomen als keukenzuster. Ze bracht eten rond, maar langzamerhand schakelden ze haar ook in voor verpleegtaken, al bleven medicijnen uitdelen en prikken verboden. Tine heeft er gewerkt tot het AZL de nieuwbouw betrok. Ze kon kiezen tussen blijven werken tot 65 jaar, of uittreden met behoud van 70 procent van het salaris. Op dat moment was het eerste kleinkind op komst en de schoondochter wilde graag blijven werken. “Maak je geen zorgen”, zei Tine. Ze zegde het ziekenhuis vaarwel en werd oppasoma. Ze genoot ervan en bouwde een hechte band op met haar kleinkinderen.
Leiden, één verhaal
Toen ze het zich eenmaal konden permitteren, maakten Tine en Arie mooie reizen naar verschillende Europese landen en daarbuiten. Aanvankelijk met de tent en vaak naar Zwitserland. De laatst geplande reis zou naar Amerika voeren om daarmee hun 45-jarig huwelijk te vieren. Maar voor het zover was, overleed Arie, op 69-jarige leeftijd.
Klooster gezien naar de Sint Michielstraat. Recht handel in lompen Ets 1946
Van de eigen stad, Leiden, zag Tine vroeger niet hoe leuk die was. Na lange jaren in Oegstgeest gewoond te hebben, zag ze opeens het verschil: “Oegstgeest is mooi, maar daar zit voor mij niet veel verhaal in. En Leiden is één verhaal. Niet alleen de huizen, alles. Alles waar je in Leiden loopt heeft een verhaal achter zich. Dat buurtje waar ik gewoond heb, nou ja, dat was… hedendaags zou je zeggen: een stelletje achenebbisj wat er woonde. Maar achteraf denk je: het was toch wel apart. Wie woont nou ergens waar allemaal vuilnis- of lorreboeren wonen. En op het Klooster een stal met allemaal koeien, midden in de stad. Ja, toen vond je het eigenlijk wel een beetje vies. En dan denk ik: dat heb ik toch allemaal mee mogen maken.”
De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.
Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.
Een bijlage met foto's is hier te bekijken.
Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.
Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl
Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.