Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: Ze slaagde erin om de Leienaar naar De Lakenhal te krijgen

  • Leiden
  • Geschiedenis 1901-1950
  • Geschiedenis 1951- heden

Interview met mevrouw Ingrid Moerman op 18 november 2024

Haar plan was om in Utrecht te gaan studeren. Maar toen ze in de hoogste klas van het Rotterdamse gymnasium zat, bezocht ze een voorlichtingsdag in Leiden. Daar ontmoette ze een hoogleraar Geschiedenis, bij wie ze later assistente zou worden. “We raakten aan de praat over de numismatiek, het verzamelen van munten, dat was mijn hobby.” Nog vóórdat ze in 1961 eindexamen deed, besloot Ingrid Moerman naar Leiden te gaan.
In januari 1943, middenin de Tweede Wereldoorlog, werd ze geboren in Rotterdam. Haar vader werkte daar als architect bij het Adviesbureau Stadsplan van Rotterdam, dat zich bezighield met de wederopbouw van de stad tijdens en na de oorlog. In januari 1947 kreeg ze een zusje dat later ook in Leiden kwam studeren.

Opgravingen
Aan het begin van haar studie vond ze een kamertje aan de Witte Singel tegenover het Gemeentearchief. Er paste net een bed in; haar kledingkast stond op de gang. Beneden woonde een Leidse familie en op zolder huisden drie ouderejaars studentes die, net als Ingrid, lid waren van de VVSL, de Vereniging voor Vrouwelijke Studenten in Leiden. Met mannelijke studenten was geen contact. “In de Breestraat moest je aan de andere kant van de straat lopen en je mocht niet naar links kijken, naar Minerva. Je werd wel nagefloten. De stad werd, meer dan nu, beheerst door studenten.”
Ingrid beschrijft hoe de studie Geschiedenis er in die tijd uitzag. “Meestal deed je na vier jaar je kandidaats en drie jaar later je doctoraal.” Het exacte aantal eerstejaars weet ze niet meer, maar ze schat het rond de 25. Als eerste van haar jaar behaalde ze haar kandidaats. “Prof.dr. A.E. Cohen vroeg mij toen om zijn assistente te worden. Dat was de professor met wie ik tijdens de voorlichtingsdag in gesprek was geraakt over de numismatiek. Moet je nagaan, dat wist hij nog!” Voor dat assistentschap werd Ingrid betaald. Dat gold niet voor haar stage bij de opgravingen nabij Warmond. “Ik volgde de specialisatie Middeleeuwen en ik had kennisgemaakt met de heer Renaud, die bezig was met de opgraving van het oude kasteel van Teylingen. Elke ochtend fietste ik via Oegstgeest naar Warmond.”

Franse straattaal
In de zomer van 1967 studeerde Ingrid af. Opnieuw als eerste van haar jaar. Ze wilde graag verder in de middeleeuwse archeologie, maar dat vak bestond nog niet. Renaud, die archeologisch kastelenonderzoeker was, regelde een stage voor haar in Frankrijk bij de opgraving van het Château de Caen, middenin de stad. “Ik had het liefst Engeland gehad, omdat ik beter Engels sprak dan Frans. Gelukkig kreeg ik een kamer in een studentenflat in de Cité. Je hoorde gewoon bij die club, dat was heel gezellig. Er was ook een jongen, die alleen Argot sprak, de straattaal.” Ingrid vertelt dat het een internationaal gezelschap was. “Binnen een week sprak ik ook Argot.”
In het jaar dat Ingrid in Caen zat, had een aantal mensen haar naam genoemd bij de gemeente voor een functie bij De Lakenhal. Toen ze met Kerstmis in Nederland was, ging ze daar al langs voor een gesprek. Inmiddels was in 1967/68 de Parijse studentenopstand uitgebroken, uitmondend in een algemene staking in Frankrijk. Tijdens een promotie in Caen ontmoette Ingrid de archeoloog Renaud weer, die vertelde dat ze bij De Lakenhal in haar geïnteresseerd waren en dat ze hoopten haar met Pasen te zien. Maar Ingrid kwam vast te zitten door de stakingen. “Het geld kwam niet meer door, ik kon geen examen doen, er was geen benzine meer.” Doordat ze met een bekende mee kon rijden naar Parijs, was ze in staat om via de ambassade contact te leggen met haar vader. “De volgende dag, rond het middaguur, toen ik het universitaire restaurant in Caen uitliep, stond mijn vader daar.”

Op mijn kop
“Met Pasen had ik een gesprek bij De Lakenhal. Dat zou gevolgd worden door een kennismaking, ook met burgemeester Van der Willigen. Maar toen liep ik een hersenschudding op. Mijn hele hebben en houden stond namelijk bij mijn ouders, in mijn slaapkamer. Een boekenrekje heeft een knal opzij gemaakt en de zwaarste boeken kwamen in mijn bed terecht, op mijn kop. Je moest in die tijd nog echt uitzieken van een hersenschudding.” Een paar weken later vond het gesprek alsnog plaats en werd duidelijk dat Ingrid meteen adjunct-directeur moest worden bij De Lakenhal. “Er was toen een heel kleine staf. Naast de directeur, Maarten Wurfbain, moest er iemand in de buurt wonen voor het geval dat er ’s nachts alarm was of zo.” De volgende vraag aan Ingrid was: “Wat wilt u gaan verdienen?” Daarover is gediscussieerd, ook omdat ze pas 25 was. Gelukkig merkte de burgemeester op dat je op je 25e ook tot burgemeester benoemd kon worden. De conclusie was dat ze werd benoemd tot commies, een middelbare ambtelijke rang.

Lastig
Ingrid beschrijft waarmee ze allereerst aan de slag ging. “Op de zolder van het museum was vroeger alleen ‘het Beleg van Leiden’ te zien en ‘de Buskruitramp’ van 1807. Het was de bedoeling dat ik, als conservator, de historische afdeling ging inrichten. Ze hadden van alles en nog wat, maar je kunt pas keuzes maken als je de achtergrond kent. Toen ben ik de vier boekdelen van prof. P.J. Blok over de geschiedenis van Leiden gaan bestuderen.” Bij de inrichting van de zolder lag ze af en toe overhoop met Bart van Kasteel, de architect van De Lakenhal. “Hij vond mij lastig, maar ik moest dat wel zijn. Ik zei: straks is hier de opening; alle kranten gaan erover schrijven, maar zodra er iets niet klopt krijg ik het op mijn brood.” Tegelijkertijd was Ingrid begonnen met het samenstellen van haar eerste tentoonstelling, ‘Penningparade’, over de penningen, haar oude hobby. Tal van exposities volgden. De meest spraakmakende somt ze moeiteloos op. “In 1970 in de benedenzaal de tentoonstelling naar aanleiding van het ‘Pilgrimsjaar’. Later volgde ‘Gedrukt voor het Leven’ over allerlei soorten drukwerk. In onze mooie wc had ik toen wc-rollen met portretten van staatslieden opgehangen.”
De tentoonstelling over ‘de Zangeres zonder Naam’ in 1999 was ook een publiekstrekker, vooral voor de echte Leienaren. In dit verband komt ter sprake dat het Ingrid is gelukt om ‘de Leienaar’ naar De Lakenhal te loodsen. “Dat lukte me vooral door bij mensen langs te gaan. Zo kende ik alle orgeldraaiers. Ik vroeg bijvoorbeeld of mensen wilden optreden bij een opening. Dan praatte ik ook lekker Leids hoor!” De laatste tentoonstelling onder haar bewind was die over ‘Joden in Leiden’. “Dat vond ik een van de mooiste. Een van de grootste onderwerpen was natuurlijk het leeghalen van het Joodse weeshuis aan de Roodenburgerstraat. We hebben toen ook tal van voorwerpen gekregen die hadden toebehoord aan mensen die na de oorlog niet teruggekomen zijn.”


Ingrid Moerman verkleed als Goeie Mie bij haar afscheid van de Lakenhal januari 2004

Plaatjes kijken
Na 35 jaar bij De Lakenhal ging Ingrid met de VUT. “Het was een heel bijzondere afscheidsreceptie. Voor mijn verdiensten voor de stad kreeg ik de Jan van Houtpenning van de gemeente Leiden en ik werd Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.” Natuurlijk ging ze daarna niet stil zitten. Eerder was ze al betrokken geraakt bij het herschrijven van de vierdelige geschiedenis van Leiden, die ze aan het begin van haar loopbaan als leidraad had gebruikt. “Elk deel kreeg een eigen eindredacteur en de totale eindredactie lag bij Rudi van Maanen, archivaris en later hoogleraar stadsgeschiedenis. Ik zorgde voor de beeldredactie van alle vier de delen. Hoe ik dat heb gedaan? Plaatjes kijken, veel plaatjes kijken!” Daarnaast besloot ze in 2004 een cultuurhistorisch bureau op te richten. Ze organiseerde lezingen, stadswandelingen en boottochten. Daarbij belichtte ze alle facetten van de stad.
“Dat heb ik ook gedaan in het Leidsch Dagblad, in verschillende rubrieken die ik samen met anderen mocht vullen.” Verder vloeiden diverse boeken uit haar pen: ‘Waar gebeurd in Leiden’, ‘Goeie Mie’, ‘Joden in Leiden’, ‘Leiden, eeuwig feest’. En het Leidse jaarboekje van de Historische Vereniging Oud Leiden. “Ik ben eerst secretaris van de vereniging geweest en daarna vicevoorzitter. Gedurende ruim 30 jaar hield ik me met het jaarboekje bezig. Vroeger werd het op het stadhuis aangeboden; tegenwoordig gebeurt dat bij de dies van de HVOL in de Hooglandse Kerk.”
De conclusie van dit verhaal is duidelijk. Ook al is Ingrid Moerman niet in Leiden geboren, ze heeft inmiddels wel een Leids hart. Een hart dat klopt voor de stad en haar historie en voor alle Leienaren.

De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.

Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.

Een bijlage met foto's is hier te bekijken.

Vervolging en Bescherming - het Joodse Weeshuis aan de Roodenburgerstraat door Leonard Kasteleyn feb 2003 is hier te bekijken.

Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.

Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl

Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.



kaart