Verhaal: Eerste steen J. en A. Kerkvliet - 1877
- Genealogie
- Leiden
- Geschiedenis 1801-1900
- Geschiedenis 1901-1950
- Gebouwen
Brandewijnsgracht 3
Wie zich verdiept in het verleden van de Brandewijnsgracht te Leiden, zal concluderen dat er bijna niets meer resteert van de industriële bedrijvigheid die er eind 19e eeuw heerste. De naam Brandewijnsgracht wordt wel in verband gebracht met de toenmalige nabij gelegen destilleerderij “De Fransche Kroon” (1817), later Hartevelt & Zoon, aan de Langegracht 61-67. Ooit werd gezegd: “Aan de Langegracht groeit roet en het vettige water walmt en dampt”. Dit stadskwartier, Noordvest geheten, waaraan nooit enige zorg schijnt te zijn besteed, was een zonderlinge mengeling van hoge schoorstenen, krotten en keurig onderhouden huisjes. Net achter de Brandewijnsgracht in een fabriekscomplex tussen de Oude Singel en de Houtmarkt vervaardigde De Leidsche Zoutkeet van de firma Weyland en De Fremery vanaf het einde van de 17e eeuw tot 1951 zout uit zeewater. Op de Houtmarkt was het ook één en al bedrijvigheid, evenals op het nabij gelegen Havenplein.
Het is dan ook opmerkelijk dat de eerste steen van J. en A. Kerkvliet uit 1877, die is ingemetseld in het pand Brandewijnsgracht nr. 3, het heeft overleefd.
... 
GT_2244 - Brandewijnsgracht 3 - J. EN A. KERKVLIET LEGDEN JUNI 1877 DE EERSTE STEEN
Foto Th. de Vries
Inmiddels is de gracht, die in 1886 werd gedempt, een doodlopend straatje, terwijl uit de stadskaart van H.L.A. van Campen uit 1879 blijkt dat de oostelijk gelegen huizen van deze gracht nog tot de percelen van de Houtmarkt behoorden. Het zoeken naar bijzonderheden over de eigenaars van deze eerste steen leidt dus via de Brandewijnsgracht naar de Houtmarkt. Al tegen het eind van de 18e eeuw bleek het pand Houtmarkt nr. 428 in Wijk V aan een zekere Petrus Kerkvliet toe te behoren, geboren in 1757. Een van zijn zonen, Pieter Pieterszn. Kerkvliet, geboren op 24 september 1794, nam het pand later over. Zijn beroep, ‘afbreker’, wordt ook wel geassocieerd met scheepssloper en schuitenverhuurder. Hij was getrouwd met Geertruida Copier en het gezin telde zes kinderen: Agatha Maria (1834), Christianus Petrus (1837), Petrus (1839-1840), Wilhelmina Emerentia (1841), Johanna (1843) en Amerentia Elisabeth Kerkvliet (1846).
Zoals vaak gebeurde runde Pieter Kerkvliet het bedrijf aan de Houtmarkt nr. 428 met één of meer van zijn kinderen. Zo wordt op 21 oktober 1885 door de hier wonende zoon Christianus Petrus Kerkvliet, in 1860 gehuwd met Johanna van der Meel, melding gedaan van de overdracht van de zaak aan neef Johannes Petrus Kerkvliet. Hiermee begint de uitzoekerij naar de familieverbanden tussen deze personen, waarvan niet alleen de omvang van deze rooms-katholieke tak opvalt, maar ook de vele gelijkluidende voornamen.
De vader van Pieter Pieterzn. (geb. 1794) was Petrus Kerkvliet (geb. 1757), die in 1784 hertrouwde met Marijtje Waart (ook wel Van der Waard). Daarna, in 1802, is Petrus voor de tweede keer hertrouwd, nu met Agatha Groen in ’t Woud. Van de zeven kinderen die zij kregen hebben er drie (door vroegtijdige sterfte) dezelfde naam Jo(h)annes Kerkvliet meegekregen. Met de in 1810 geboren Joannes Kerkvliet, gehuwd met Willemijntje van den Berg, is de clou gevonden over de betekenis van de initialen J. en A. op eerste steen in pand aan Brandewijnsgracht nr. 3. Een van de vijf kinderen werd Johannes Petrus genoemd (neef van bovengenoemde Christiaan Peter), geboren op 4 november 1841 en op 29 augustus 1872 gehuwd met Anna Maria Wijnen.
Voor zover dat mogelijk is kunnen vervolgens de verrichtingen van deze familie rond de Houtmarkt worden nagetrokken. Op 27 augustus 1868 vroeg Joannes Kerkvliet, koopman, bij B&W toestemming om op het erf achter zijn huis aan de Houtmarkt, Wijk V nr. 428A (huidig nr.4) tot het houden en mesten van een of meer varkens. Hij was niet de eerste Kerkvliet die zich aan de zogeheten ‘Nieuwe Houtmarkt’ had gevestigd. Het bonboek Zijloord 1642-1811 vermeldt namelijk dat voorouders al veel eerder huizen bezaten aan de kade van de Oude Herengracht: aankopen worden vermeld van Jan Kerkvliet in 1752 en in 1779 en van Pieter Kerkvliet in 1802 en 1809 (Nieuwe Houtmarkt in een Poort). Uit een perceelsgewijs register van lantaarn- en brandspuitengeld uit 1814 blijkt zelfs verdere uitbreiding tot een rijtje huizen aan de Houtmarkt tot om de hoek van de Langegracht (de nrs. 428 t/m 431), in bezit van Kors en Pieter Kerkvliet. Daar om de hoek, Langegracht 177a, bevond zich de voormalige Hazen- of Schelvispoort. Eind 19e eeuw werd deze de Werfpoort genoemd. De Werfpoort zal haar naam hebben ontleend aan de houtwerf, die aan de Houtmarkt langs de Oude Herengracht was gelegen. In 1877 werden vier nieuwe huisjes aan de gracht gebouwd, wellicht ter vervanging van een of meerdere bouwvallige pakhuizen. Op de kadasterkaart van 1823, die tot 1881 is bijgehouden, is (aan poetscorrecties) te zien dat Brandewijnsgracht (Sectie B nrs. 2132, 2133, 2134 en 2135) tegelijk zijn gebouwd. Dit viertal behoorde bij perceel Houtmarkt nr. 239 (Sectie B nr. 2137) en de Werfpoort diende als toegangspoort.
...
Kaart 1879 (Li) en 1823 (Re), bijgewerkt tot 1881 (viertal huisjes Brandewijnsgracht omcirkeld)
Na de oplevering van de huisjes in 1877 vestigden zich hier vier arbeidersgezinnen (met een wever, fabrieksarbeider, machinewerker en zeepzieder als kostwinner). Dit ging gepaard met een naamsverandering van de Werfpoort in Johannes Anna’shof, waarschijnlijk omdat men met het woord ‘poort’ niet steeds herinnerd wilde worden aan begrippen als armoede en verkrotting. Toen de demping van de Brandewijnsgracht in 1886 was voltooid waren de woningen Brandewijnsgracht 1 t/m 4 via de straat bereikbaar en werden de naam ‘Johannes Anna’shof’ en de functie ervan niet meer gebruikt.
Het volgende verhuisbericht van J.P. Kerkvliet, geplaatst in het Leidsch Dagblad, verklaart een en ander:
Leidsch Dagblad, 19 augustus 1878, pag. 3
Het is goed denkbaar dat, ook al woonde Johannes Petrus aan de Oude Vest, hij zijn stempel heeft weten te drukken op de bouw van het viertal huisjes achter de Houtmarkt nr. 6, waar hij in 1877 zijn werkplaats had. Ook de door hem en zijn vrouw Anna geplaatste eerste steen in het eerste huisje van Johannes Anna’shof (huidige Brandewijnsgracht nr. 3) is hiervan het bewijs. Hij was toen 36 jaar.
Onderstaande foto toont de Houtmarkt vanaf de Oude Singel met de vroegere scheepswerf van Kerkvliet, met links de Langegracht en op de achtergrond molen De Stier.

Houtmarkt, 1902 met Molen ‘De Stier’
Bron: HVOL nr. 018427
Op de oude foto van de Houtmarkt zijn sporen van de scheepswerf te zien; de Houtmarkt heeft aan de waterkant een glooiende helling in plaats van een kademuur, zodat daar de houten schuiten zo het water in konden glijden. Achter de gevels met de boogramen met de drie schuine dakjes, Houtmarkt nr. 6, was de machinefabriek van Marinus Cornelis Schouten, geboren 3 juni 1864.
Ruim een jaar later nadat Christianus Petrus Kerkvliet de zaak in 1885 had overgedaan aan zijn neef Johannes Petrus, die in Houtmarkt nr. 3 woonde, werd hier op 28 december 1886 een dochter Wilhelmina Maria Kerkvliet geboren. In die tijd waren er bij B&W discussies gaande over uitdiepen of dempen van de Brandewijnsgracht en Koolgracht. Deze kwestie had nogal wat voeten in de aarde. De stank was er vaak niet te harden. De gassen die uit de Kool- en Brandewijnsgracht verpesten de lucht. Dat daardoor de volksgezondheid weinig bevorderd wordt, behoeft geen verder betoog. Epidemieën kunnen uit een dergelijke toestand ontstaan. Met uitdiepen zal het kwaad wel verminderen, maar niet uitgeroeId worden. Het vervolg? Besloten werd tot demping met aanleg van riolering, vanaf 1886 in gang gezet.
Eind 1893 werd tot onbewoonbaarverklaring besloten van zes huizen aan de westzijde van de Brandewijnsgracht. De bewoners verkregen hun drinkwater uit de standpijp in de nabij gelegen Brandewijnspoort. De verstrekking van zuiver water was onzeker en geschiedde dus zolang de gemeente er voor zorgde. Vuilnis en afval werden in de Langegracht geworpen. De panden moesten worden ontruimd en gesloopt. Mej. Wilhelmina Hagemans, eigenares van een heel rijtje onbewoonbaar verklaarde woningen aan de westzijde van de Brandewijnsgracht, diende een verzoek in tot aankoop van een vrijgekomen strook grond van 150 centiaren, 5 bij 30 meter, zodat plannen voor verbouwing doorgang konden vinden. Dit verzoek werd ingewilligd à f 2,-- per centiare. In deze omstandigheden verkeerden ook de vier woningen aan de overkant, die in 1877 waren opgeleverd, en kennelijk geen permante bewoning hadden. Brandewijnsgracht nr. 1 en 2 werden in november 1894 in bod gebracht en voor f 1.231 was de heer I.J. Hagemans de koper.

Houtmarkt nr. 3, omstreeks 1900
Bron: HVOL Poortendatabase
Intussen was er in 1895 op de Houtmarkt nr. 3 bij Johannes Petrus Kerkvliet scheepsafbraak te koop aangekondigd, te weten eiken planken en leggers voor schoeiingen, brandhout, enz., en werd jarenlang het bovenhuis te huur aangeboden. Op 22 oktober 1896 overleed op 9-jarige leeftijd de dochter van Johannes Petrus en Anna Maria Wijnen, Wilhelmina Maria. Er brak een sombere tijd aan. Volgens overlevering werd de scheepswerf op een gegeven moment opgedoekt omdat de overgang van houten op ijzeren schepen niet meer rendabel was. Op 25 april 1900 werd het van vele gemakken voorziene woonhuis Houtmarkt nr. 3 nog te huur aangeprezen, maar in 1903 ging zowel het pand nr. 3 als nr. 4 in de vrijwillige verkoop. Ten overstaan van notaris J.A.F. Coebergh werd Houtmarkt nr. 3 aan Willem Domburg verkocht.
Op 24 oktober 1904 gingen Houtmarkt nr. 5 en 7, tegelijk met Brandewijnsgracht nrs. 1, 2, 3 en 4 in de verkoop. Voor resp. f 3.100 en f 1.300 en f 1.600 werd D.J.C. Speet q.q. de koper. Hij handelde in opdracht van metselaar Willem Fredrik Kret en die was hierdoor de nieuwe eigenaar geworden. Zelf ging Kret in Houtmarkt nr. 7 wonen en verbouwde de woning ingrijpend. Voor de vier huisjes achter de woning vroeg hij vergunning voor het aanleggen van een riolering. Maar W.F. Kret kon het financieel niet trekken, waardoor hij op 25 april 1908 door de Rechtbank met als curator P.J.M. Aalberse failliet werd verklaard. De woonsituatie aan de Brandewijnsgracht had zich nu dusdanig gewijzigd dat de pandjes aan de gedempte Brandewijnsgracht nrs. 1, 2, 3 en 4 achter de Houtmarkt werden hernummerd in respectievelijk 1, 3, 5 en 7. De huizen aan de overzijde kregen de even nummers 2, 4, 6 en 8.
Op 9 september 1908 verscheen opnieuw een aankondiging tot verkoop. Het perceel nr. 2784 (Sectie B), waarop het door W.F. Kret nieuwgebouwde huis, Houtmarkt nr. 7, ging in de verkoop, tegelijk met de daarachter gelegen twee pakhuisjes, annex poort (waaronder Brandewijnsgracht nr. 3, met eerste steen). Beide waren sedert juli 1908 niet meer als woonhuis in gebruik. De daarnaast gelegen inmiddels nieuwgebouwde huisjes Brandewijnsgracht nr. 5 en nr. 7 werden eveneens geveild.
Ten overstaan van notaris J.A. van Hamel werden de huizen en twee pakhuizen samen in bod gebracht en verkocht aan F.W.A. van Riet q.q. voor f 4.140,--; hij had gehandeld voor Frans Evertsz. Los, schipper. Beide pakhuizen Brandewijnsgracht nr. 3 en nr. 5 moeten later weer zijn omgebouwd tot woning. W.F. Kret en zijn vrouw Sara Maria hebben het huis of deel ervan aan Houtmarkt 7 nog vele jaren bewoond.
Van de eerstesteenleggers in de gevel van Brandewijnsgracht nr. 3 zijn verder geen bijzonderheden te melden, anders dan de data waarop beide personen zijn overleden: op 2 oktober 1931 overleed Johannes Petrus Kerkvliet, 89 jaar, en op 12 maart 1934 overleed op 85-jarige leeftijd de weduwe Anna Maria Wijnen. Met het leggen van de eerste steen in het toenmalige Johannes Anna’shof deden zij een poging om verandering aan te brengen in de armzalige woonomstandigheden. Helaas voor de bewoners in deze wijk Noordvest duurde het nog tientallen jaren voordat er pas echt sprake was van een gezonde leefomgeving.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie of contact met de commissie raadpleeg ons colofon.
Het is dan ook opmerkelijk dat de eerste steen van J. en A. Kerkvliet uit 1877, die is ingemetseld in het pand Brandewijnsgracht nr. 3, het heeft overleefd.
GT_2244 - Brandewijnsgracht 3 - J. EN A. KERKVLIET LEGDEN JUNI 1877 DE EERSTE STEEN
Foto Th. de Vries
Inmiddels is de gracht, die in 1886 werd gedempt, een doodlopend straatje, terwijl uit de stadskaart van H.L.A. van Campen uit 1879 blijkt dat de oostelijk gelegen huizen van deze gracht nog tot de percelen van de Houtmarkt behoorden. Het zoeken naar bijzonderheden over de eigenaars van deze eerste steen leidt dus via de Brandewijnsgracht naar de Houtmarkt. Al tegen het eind van de 18e eeuw bleek het pand Houtmarkt nr. 428 in Wijk V aan een zekere Petrus Kerkvliet toe te behoren, geboren in 1757. Een van zijn zonen, Pieter Pieterszn. Kerkvliet, geboren op 24 september 1794, nam het pand later over. Zijn beroep, ‘afbreker’, wordt ook wel geassocieerd met scheepssloper en schuitenverhuurder. Hij was getrouwd met Geertruida Copier en het gezin telde zes kinderen: Agatha Maria (1834), Christianus Petrus (1837), Petrus (1839-1840), Wilhelmina Emerentia (1841), Johanna (1843) en Amerentia Elisabeth Kerkvliet (1846).
Zoals vaak gebeurde runde Pieter Kerkvliet het bedrijf aan de Houtmarkt nr. 428 met één of meer van zijn kinderen. Zo wordt op 21 oktober 1885 door de hier wonende zoon Christianus Petrus Kerkvliet, in 1860 gehuwd met Johanna van der Meel, melding gedaan van de overdracht van de zaak aan neef Johannes Petrus Kerkvliet. Hiermee begint de uitzoekerij naar de familieverbanden tussen deze personen, waarvan niet alleen de omvang van deze rooms-katholieke tak opvalt, maar ook de vele gelijkluidende voornamen.
De vader van Pieter Pieterzn. (geb. 1794) was Petrus Kerkvliet (geb. 1757), die in 1784 hertrouwde met Marijtje Waart (ook wel Van der Waard). Daarna, in 1802, is Petrus voor de tweede keer hertrouwd, nu met Agatha Groen in ’t Woud. Van de zeven kinderen die zij kregen hebben er drie (door vroegtijdige sterfte) dezelfde naam Jo(h)annes Kerkvliet meegekregen. Met de in 1810 geboren Joannes Kerkvliet, gehuwd met Willemijntje van den Berg, is de clou gevonden over de betekenis van de initialen J. en A. op eerste steen in pand aan Brandewijnsgracht nr. 3. Een van de vijf kinderen werd Johannes Petrus genoemd (neef van bovengenoemde Christiaan Peter), geboren op 4 november 1841 en op 29 augustus 1872 gehuwd met Anna Maria Wijnen.
Voor zover dat mogelijk is kunnen vervolgens de verrichtingen van deze familie rond de Houtmarkt worden nagetrokken. Op 27 augustus 1868 vroeg Joannes Kerkvliet, koopman, bij B&W toestemming om op het erf achter zijn huis aan de Houtmarkt, Wijk V nr. 428A (huidig nr.4) tot het houden en mesten van een of meer varkens. Hij was niet de eerste Kerkvliet die zich aan de zogeheten ‘Nieuwe Houtmarkt’ had gevestigd. Het bonboek Zijloord 1642-1811 vermeldt namelijk dat voorouders al veel eerder huizen bezaten aan de kade van de Oude Herengracht: aankopen worden vermeld van Jan Kerkvliet in 1752 en in 1779 en van Pieter Kerkvliet in 1802 en 1809 (Nieuwe Houtmarkt in een Poort). Uit een perceelsgewijs register van lantaarn- en brandspuitengeld uit 1814 blijkt zelfs verdere uitbreiding tot een rijtje huizen aan de Houtmarkt tot om de hoek van de Langegracht (de nrs. 428 t/m 431), in bezit van Kors en Pieter Kerkvliet. Daar om de hoek, Langegracht 177a, bevond zich de voormalige Hazen- of Schelvispoort. Eind 19e eeuw werd deze de Werfpoort genoemd. De Werfpoort zal haar naam hebben ontleend aan de houtwerf, die aan de Houtmarkt langs de Oude Herengracht was gelegen. In 1877 werden vier nieuwe huisjes aan de gracht gebouwd, wellicht ter vervanging van een of meerdere bouwvallige pakhuizen. Op de kadasterkaart van 1823, die tot 1881 is bijgehouden, is (aan poetscorrecties) te zien dat Brandewijnsgracht (Sectie B nrs. 2132, 2133, 2134 en 2135) tegelijk zijn gebouwd. Dit viertal behoorde bij perceel Houtmarkt nr. 239 (Sectie B nr. 2137) en de Werfpoort diende als toegangspoort.
Kaart 1879 (Li) en 1823 (Re), bijgewerkt tot 1881 (viertal huisjes Brandewijnsgracht omcirkeld)
Na de oplevering van de huisjes in 1877 vestigden zich hier vier arbeidersgezinnen (met een wever, fabrieksarbeider, machinewerker en zeepzieder als kostwinner). Dit ging gepaard met een naamsverandering van de Werfpoort in Johannes Anna’shof, waarschijnlijk omdat men met het woord ‘poort’ niet steeds herinnerd wilde worden aan begrippen als armoede en verkrotting. Toen de demping van de Brandewijnsgracht in 1886 was voltooid waren de woningen Brandewijnsgracht 1 t/m 4 via de straat bereikbaar en werden de naam ‘Johannes Anna’shof’ en de functie ervan niet meer gebruikt.
Het volgende verhuisbericht van J.P. Kerkvliet, geplaatst in het Leidsch Dagblad, verklaart een en ander:
Leidsch Dagblad, 19 augustus 1878, pag. 3
Het is goed denkbaar dat, ook al woonde Johannes Petrus aan de Oude Vest, hij zijn stempel heeft weten te drukken op de bouw van het viertal huisjes achter de Houtmarkt nr. 6, waar hij in 1877 zijn werkplaats had. Ook de door hem en zijn vrouw Anna geplaatste eerste steen in het eerste huisje van Johannes Anna’shof (huidige Brandewijnsgracht nr. 3) is hiervan het bewijs. Hij was toen 36 jaar.
Onderstaande foto toont de Houtmarkt vanaf de Oude Singel met de vroegere scheepswerf van Kerkvliet, met links de Langegracht en op de achtergrond molen De Stier.
Houtmarkt, 1902 met Molen ‘De Stier’
Bron: HVOL nr. 018427
Op de oude foto van de Houtmarkt zijn sporen van de scheepswerf te zien; de Houtmarkt heeft aan de waterkant een glooiende helling in plaats van een kademuur, zodat daar de houten schuiten zo het water in konden glijden. Achter de gevels met de boogramen met de drie schuine dakjes, Houtmarkt nr. 6, was de machinefabriek van Marinus Cornelis Schouten, geboren 3 juni 1864.
Ruim een jaar later nadat Christianus Petrus Kerkvliet de zaak in 1885 had overgedaan aan zijn neef Johannes Petrus, die in Houtmarkt nr. 3 woonde, werd hier op 28 december 1886 een dochter Wilhelmina Maria Kerkvliet geboren. In die tijd waren er bij B&W discussies gaande over uitdiepen of dempen van de Brandewijnsgracht en Koolgracht. Deze kwestie had nogal wat voeten in de aarde. De stank was er vaak niet te harden. De gassen die uit de Kool- en Brandewijnsgracht verpesten de lucht. Dat daardoor de volksgezondheid weinig bevorderd wordt, behoeft geen verder betoog. Epidemieën kunnen uit een dergelijke toestand ontstaan. Met uitdiepen zal het kwaad wel verminderen, maar niet uitgeroeId worden. Het vervolg? Besloten werd tot demping met aanleg van riolering, vanaf 1886 in gang gezet.
Eind 1893 werd tot onbewoonbaarverklaring besloten van zes huizen aan de westzijde van de Brandewijnsgracht. De bewoners verkregen hun drinkwater uit de standpijp in de nabij gelegen Brandewijnspoort. De verstrekking van zuiver water was onzeker en geschiedde dus zolang de gemeente er voor zorgde. Vuilnis en afval werden in de Langegracht geworpen. De panden moesten worden ontruimd en gesloopt. Mej. Wilhelmina Hagemans, eigenares van een heel rijtje onbewoonbaar verklaarde woningen aan de westzijde van de Brandewijnsgracht, diende een verzoek in tot aankoop van een vrijgekomen strook grond van 150 centiaren, 5 bij 30 meter, zodat plannen voor verbouwing doorgang konden vinden. Dit verzoek werd ingewilligd à f 2,-- per centiare. In deze omstandigheden verkeerden ook de vier woningen aan de overkant, die in 1877 waren opgeleverd, en kennelijk geen permante bewoning hadden. Brandewijnsgracht nr. 1 en 2 werden in november 1894 in bod gebracht en voor f 1.231 was de heer I.J. Hagemans de koper.
Houtmarkt nr. 3, omstreeks 1900
Bron: HVOL Poortendatabase
Intussen was er in 1895 op de Houtmarkt nr. 3 bij Johannes Petrus Kerkvliet scheepsafbraak te koop aangekondigd, te weten eiken planken en leggers voor schoeiingen, brandhout, enz., en werd jarenlang het bovenhuis te huur aangeboden. Op 22 oktober 1896 overleed op 9-jarige leeftijd de dochter van Johannes Petrus en Anna Maria Wijnen, Wilhelmina Maria. Er brak een sombere tijd aan. Volgens overlevering werd de scheepswerf op een gegeven moment opgedoekt omdat de overgang van houten op ijzeren schepen niet meer rendabel was. Op 25 april 1900 werd het van vele gemakken voorziene woonhuis Houtmarkt nr. 3 nog te huur aangeprezen, maar in 1903 ging zowel het pand nr. 3 als nr. 4 in de vrijwillige verkoop. Ten overstaan van notaris J.A.F. Coebergh werd Houtmarkt nr. 3 aan Willem Domburg verkocht.
Op 24 oktober 1904 gingen Houtmarkt nr. 5 en 7, tegelijk met Brandewijnsgracht nrs. 1, 2, 3 en 4 in de verkoop. Voor resp. f 3.100 en f 1.300 en f 1.600 werd D.J.C. Speet q.q. de koper. Hij handelde in opdracht van metselaar Willem Fredrik Kret en die was hierdoor de nieuwe eigenaar geworden. Zelf ging Kret in Houtmarkt nr. 7 wonen en verbouwde de woning ingrijpend. Voor de vier huisjes achter de woning vroeg hij vergunning voor het aanleggen van een riolering. Maar W.F. Kret kon het financieel niet trekken, waardoor hij op 25 april 1908 door de Rechtbank met als curator P.J.M. Aalberse failliet werd verklaard. De woonsituatie aan de Brandewijnsgracht had zich nu dusdanig gewijzigd dat de pandjes aan de gedempte Brandewijnsgracht nrs. 1, 2, 3 en 4 achter de Houtmarkt werden hernummerd in respectievelijk 1, 3, 5 en 7. De huizen aan de overzijde kregen de even nummers 2, 4, 6 en 8.
Op 9 september 1908 verscheen opnieuw een aankondiging tot verkoop. Het perceel nr. 2784 (Sectie B), waarop het door W.F. Kret nieuwgebouwde huis, Houtmarkt nr. 7, ging in de verkoop, tegelijk met de daarachter gelegen twee pakhuisjes, annex poort (waaronder Brandewijnsgracht nr. 3, met eerste steen). Beide waren sedert juli 1908 niet meer als woonhuis in gebruik. De daarnaast gelegen inmiddels nieuwgebouwde huisjes Brandewijnsgracht nr. 5 en nr. 7 werden eveneens geveild.
Ten overstaan van notaris J.A. van Hamel werden de huizen en twee pakhuizen samen in bod gebracht en verkocht aan F.W.A. van Riet q.q. voor f 4.140,--; hij had gehandeld voor Frans Evertsz. Los, schipper. Beide pakhuizen Brandewijnsgracht nr. 3 en nr. 5 moeten later weer zijn omgebouwd tot woning. W.F. Kret en zijn vrouw Sara Maria hebben het huis of deel ervan aan Houtmarkt 7 nog vele jaren bewoond.
Van de eerstesteenleggers in de gevel van Brandewijnsgracht nr. 3 zijn verder geen bijzonderheden te melden, anders dan de data waarop beide personen zijn overleden: op 2 oktober 1931 overleed Johannes Petrus Kerkvliet, 89 jaar, en op 12 maart 1934 overleed op 85-jarige leeftijd de weduwe Anna Maria Wijnen. Met het leggen van de eerste steen in het toenmalige Johannes Anna’shof deden zij een poging om verandering aan te brengen in de armzalige woonomstandigheden. Helaas voor de bewoners in deze wijk Noordvest duurde het nog tientallen jaren voordat er pas echt sprake was van een gezonde leefomgeving.
Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden, auteur Thijs de Vries. Voor meer informatie of contact met de commissie raadpleeg ons colofon.