Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: Laurens Jansz Coster

  • Leiden
  • Geschiedenis 1601-1700
  • Gebouwen

Gevelteken Haarlemmerstraat 86

...............
GT_1049

Tussen de vensters van de eerste verdieping van het pand aan de Haarlemmerstraat 86, bevindt zich een boogvormige nis van zandsteen met daarin het beeld van Laurens Coster. Boven zijn hoofd bevindt zich de tekst: LAVRENS KOSTER VAN HAERLEM.
Het levensgrote beeld houdt in de linkerhand de letter A en in de rechterhand een vel perkament met daarop de tekst:
LAVRENTIO
KOSTER0
HARLEMENSI
PRIMO ARTIS
TYPOGRAFICAE
INVENTORI
CIRCA ANNVM
DNI
MCCCCXXX
(Voor Laurens Koster van Haarlem, de eerste vinder van de boekdrukkunst omstreeks het jaar onzes Heren 1430. Onder zijn voeten staat de tekst: “plaatste mij ter nagedachtenis Arent Hogenacker in het jaar 1630)
. .

Op de console staat de tekst
M. CAVSSA P. ARNOLDVS
HOGENACKER Ao 1630 (plaatste mij ter nagedachtenis Arent Hogenacker in het jaar 1630)

EERSTE LETTER GIETER
EN DE VINDER VANDE
BOECK-DRVCKERY

Op de console staat de tekst

M[EA]. CAVSSA P[ETRUS]. ARNOLDVS
HOGENACKER Ao 1630

(Vert.: Ter nagedachtenis van mij [plaatste deze steen] Pieter Arnoud Hogenacker in het jaar 1630)

EERSTE LETTER GIETER
EN DE VINDER VANDE
BOECK-DRVCKERY

'M' staat voor 'mea' . Zulke afkortingen zijn heel gewoon in inscripties: dat spaart ruimte op de steen en tijd voor de steenhakker en dus geld voor degene die de steen spendeert.
Het woord 'caussa' is een iets minder gebruikelijk alternatief voor 'causa'
Het Latijnse 'causa' betekent o.a. 'zaak' of 'oorzaak', vandaar ons 'causaal'.
Hier wordt 'causa' in de vijfde naamval bijwoordelijk gebruikt om te zeggen, dat deze steen 'mea causa', 'in mijn zaak/aangelegenheid' dus 'omwille van mij' geplaatst werd. Dat geeft de Nederlandse vertaling iets vrijer weer, want 'ter nagedachtenis van' is een voor deze context passende Nederlandse omschrijving hiervan.

Het beeld in de klokgevel is gemaakt naar een ets van Pieter Saenredam uit 1630.
Saenredam had in 1628 al een beeltenis van Coster gemaakt voor het boek van de Leidse geleerde Petrus Scriverius (Piet de Schrijver) Laure-crans voor Laurens Coster van Haerlem, Eerste vinder vande Boeck-Drukkery uit 1628. Op de ets uit 1630 houdt Coster, die hier ten voeten uit wordt afgebeeld, een rol vast met een tekst die de uitvinding van de boekdrukkunst in 1430 plaatst. Deze details bevestigen dat de -helaas onbekende-steenhouwer die het beeld gemaakt heeft het voorbeeld van de prent heeft gevolgd.

De mantel is een tabbaard: een van voren openhangend, ruim gesneden gewaad met breed omgeslagen kraag en revers en grote mouwen. Dit overkleed, dat als deftig beschouwd kan worden, werd zowel in huis als op straat gedragen door de mannen uit de hogere standen en de rijkere lieden uit de middenklasse.
Een met bont of wol gevoerde tabbaard was winterkleding. Vergelijkbare kleding is te vinden op portretten van Erasmus, gemaakt door Hans Holbein (1523), werken van Lucas van Leyden en Barend van Orly.
De hoofdbedekking wordt aangeduid als bonnet. Deze hoofdbedekking werd gedragen door mannen uit alle lagen van de bevolking en van allerlei materiaal gemaakt. Meestal was de bonnet zwart, maar er komen ook wel andere kleuren voor op schilderijen, vooral rood komt nogal eens voor.

Op een foto in het Regionaal Archief Leiden uit 1900, is te zien dat er geen tekst staat op het vel dat de figuur van Coster vasthoudt. Hoogst waarschijnlijk zijn de letters dicht gesmeerd geweest zodat het onderhoud gemakkelijker werd.

In het pand, dat in één van de oudste gebieden van de stad (ca. 1355)aan de Haarlemmerstraat ligt, woonde en werkte Arent Corsz. Hogenacker (ca. 1579-1636) zoon van Cors -afkomstig van Korstiaen of Christiaen- Bartholomeusz. van Meppe (ook van Meppelen komt voor) en Floortje Aerntsdr., beiden overleden in 1619. Zijn broers waren Bartholomeus, stoeldraaier, Jan, pottebakker en Henrick, plaatsnijder. Bartholomeus assisteerde hem mogelijk bij het snijden van de lettertypes. In het bonboek (SAII, inv. nr. 6627, folio 507) staat Aernt Cornelisz. Lettergieter als eigenaar van dit huis vermeld. Hij werd eigenaar op 23 december 1619 en bleef dat tot zijn overlijden.


Stamboom van de familie Hogenacker, met dank aan John A. Lane.
Klik op de foto voor een grotere afbeelding.

Hogenacker oefende in dit pand niet alleen het drukkersvak uit, maar had zelf ook een lettergieterij; 'Bij Laurens Coster' genaamd . Hij sneed en goot Arabische en andere Oosterse drukletters, waarschijnlijk voor de Leidse hoogleraar in Oosterse talen, Thomas Erpenius. Hogenacker verwierf hier grote faam mee.
Arent trouwde in 1624 in Leiden met Neeltgen Symonsdr. van Borssen, afkomstig uit een niet onaanzienlijk Leids geslacht.

Van Hogenacker liet zijn druksels vaak verfraaien met vignetten, initialen en titelbladen door Christoffel van Sichem die leerling was van de in Haarlem werkzame Hendrik Goltzius.
In 1630, het tweehonderdste herdenkingsjaar van de uitvinding van de boekdrukkunst,
liet Arent of Arnoldus in het Latijn, dit beeld in de gevel van zijn woning en werkplaats aanbrengen.

Na zijn dood in 1636 werden de Arabische, Syrische en Griekse lettertypen, stempels en matrijzen, verkocht aan de universiteit van Oxford. De Londense boekverkoper Samuel Brown fungeerde hierbij als tussenpersoon. De verkoop leverde zijn erfgenamen veel geld op (fl 2300,-), dit blijkt uit een notarieel contract uit 7 januari 1637.

In een reisverslag van de Engelse dagboekschrijver John Evelyn, komt een beschrijving van het beeld voor; op 28 augustus 1641 is de schrijver in Leiden en na bezoeken aan o.a. de Universiteit en Elsevier werd hem op weg naar zijn verblijfplaats, het beeld getoond; “I was showed the statue, cut in stone, of the happy monk, whom they report to have been the first inventor of typography, set over the door”…

Een halve eeuw later komen we het beeld weer tegen in het dagboek van John Bagford, antiquair, boekverkoper, maar oorspronkelijk schoenmaker, die in 1705-1706 een reis maakte door Nederland;

….on Wednesday the 23th of October 1706 we took the Boat for Leyden, where we arrived about six the same Day, and next day in the Morning, in the Company of Mr. Bovell, a Student there, who was our Guide into the Harlemer Street, so called because it leadeth to the Harlem Parts , over the Door of a Glaziers House was the Picture of Coster cut in Wood and painted with the Inscription. The Statue was not set up by any Public Authority of Magistrates of that City, but by a Private Man; and if I mistake not older than 1630. This Statue is done after the Graved Print that is in the Book at Harlem or the Painting over the Door of Laurence Johnson Coster.

Vrij vertaald:
woensdag de 23e oktober in 1706 namen we de boot naar Leiden, waar we ongeveer om 6 uur van dezelfde dag aankwamen en de volgende dag, in de ochtend, in het gezelschap van de heer Bovell, een student alhier, die onze gids was naar de Haarlemmerstraat, zo genoemd omdat deze weg naar Haarlem voert, boven de deur van het huis van een glazenier was het beeld van Coster gesneden in hout en beschilderd met de inscriptie. Het beeld was niet opgericht door een publieke macht of magistraten van de stad, maar door een burgerman; en als ik me niet vergis niet ouder dan 1630. Het beeld is gemaakt naar een gravure die in het boek over Haarlem staat of de schildering boven de deur van het huis van Laurens Jansz. Coster.

Na de dood van Hogenacker begon zijn neef er een glazeniers werkplaats, zoals we in het fragment hierboven ook kunnen lezen. Opvallend is dat Bagford de naam van Hogenacker niet noemt, hij is in die tijd waarschijnlijk al vergeten, om pas in de 20e eeuw weer uit de anonimiteit gehaald te worden.
Bagford reisde speciaal af naar Leiden op aanraden van een Mr. Talman jr. die het beeld al eerder gezien had. Bagford vond het vreemd dat hij naar Leiden moest om het beeld van de Haarlemmer Coster te bewonderen.

In de zogenaamde Waarboeken staan de overdrachten van onroerend goed in de stad. Hierin is een transportakte te vinden van 10 december 1672 (ORA, inv. nr. 67, folio 288) die aantoont dat de erfgenamen van Marijtgen Corssendr. genoemd huis verkopen aan Dirck Snel., mr. glazenmaker. Het wordt omschreven als: drie vierdeparten in een huijs ende erve staende ende gelegen binnen deser stede op 't Marendorp ofte Haerlemstraedt, daer uijt hanght de vinder van de druckerij.
In een latere transportakte, van 6 december 1746 (ORA, inv. nr. 67 deel 8S, folio 25), staat dat het huis Haarlemmerstraat 86 door de lasthebbers van Sara van der Feijs, weduwe van Dirk Snel, aan mr. Alexander le Breton van Doeswerff verkocht wordt.
Het huis wordt als volgt omschreven: Een huijs ende Erve, staande ende geleegen binnen deeser Steede aen de noordzijde van 't Marendorp, daer de vinder van de Drukkerije in de Gevel staet, belent aan de eene sijde dr. Samuel Durij ende aen de andere sijde Otto Lindeman strekkende tot agter aan Frans Morael.
Mr. Alexander le Breton van Doeswerff (1702-1775) was een zeer rijke katholieke inwoner van Leiden en kunstverzamelaar. Uit een beschrijving van schilderijen uit zijn boedel in een brief van Lucretia Wilhelmina van Winter-van Merken blijkt het volgende: "er onder zyn die zeer schoon zyn: onder andre twee van Jan Steen, die Uw Vader {= Nicolaas Simon van Winter) by uitstek prees. ‘t Eene is een
hermitage met twee of drie beelden, ‘t andre eene verschyning aan de Emmaüsgangers. Ook een Erasmus van Lucas van Leiden.”
Zijn vermogen bedroeg ruim 381.000 gulden, waarvan ongeveer de helft bestond uit onroerend goed. Hij was eigenaar
van het Huis ter Cijs of Berendrecht aan de Vliet onder Zoeterwoude, aangekocht in 1763, dat hij als zomerverblijf gebruikte, en van talrijke percelen in Leiden en in Amsterdam alsook van vele landerijen. Van zijn jeugd af verkeerde hij in aanzienlijke
Rooms-Katholieke kringen te ‘s-Gravenhage en Leiden. Hij had geen directe erven; zijn erfgenamen waren geen bloedverwanten.



Het schijnt dat de ijzeren stangen waaraan het uithangbord van zijn winkel bevestigd was, tot in de jaren '40 van de twintigste eeuw op hun plaats waren. Ze hebben ook een klok gedragen die als reclame fungeerde voor de klokkenwinkel die er lange tijd gevestigd was.

Het jaar waarin het beeld van Coster werd aangebracht aan de gevel van de winkel van Hogenacker, 1630, werd min of meer als herdenkingsjaar beschouwd van de uitvinding van de boekdrukkunst door de Haarlemmer Laurens Jansz. Coster.
De Republiek der Verenigde Nederlanden was nog jong en de boekdrukkunst was er tot een enorme bloei gekomen.
De figuur van Coster, of hij nu bestaan heeft of niet, was bij uitstek geschikt om te vereren als nationale held. Het beeld aan de gevel van het pand lijkt een afgeleide van een heiligenbeeld; het is alsof Coster hier als schutspatroon van de lettergieters en drukkers fungeert.

In de Lakenhal bevindt zich een vaandel van de Typografische Vereeniging "Laurens Jansz. Coster". Opgericht 4 december 1854. De afbeelding die op het vaandel staat lijkt te zijn afgeleid van het gevelbeeld van Coster.
De vereniging, voor iedereen tussen de achttien en vijftig jaar oud uit het drukkersvak, was vooral een gezelligheidsvereniging maar had in principe een tweeledig doel: onderlinge ondersteuning in geval van ziekte of ongeval en 'de herinnering aan de uitvinding der boekdrukkunst op 'eene meer waardige wijze vieren'.
In 1875 staat in het jaarverslag van de gemeente Leiden:
'De Typographische Vereeniging Lourens jansz. Coster mag zich in den meest
gewenschten bloei verheugen. Haar ledental bedraagt 108 en dat der begunstigers
65, de financieeIe toestand is voldoende, terwijl het weduwen- en toelagefonds
in bloeienden staat verkeert.'
Staatkundige onderwerpen, zeker die van opruiende aard, waren verboden. De Typografische Vereeniging was sterk anti-socialistisch. Onzedelijke taal werd niet getolereerd.
De enige eis die 'Laurens ]anszoon Coster' stelde, was dat de leden lichamelijk en
geestelijk gezond waren èn dat zij tenminste drie gulden per week verdienden.
Van de twaalf en halve cent contributie ging een dubbeltje naar de vereniging. De rest werd gestort in de kas van het weduwenfonds. De vrouw van een typograaf kon bij het overlijden van haar man rekenen op een uitkering van veertig gulden.
Het was dus bepaald geen vereniging die een verbetering van het lot van de arbeider voor ogen had.
Iemand als Albert Willem Sijthoff, die sinds 1851 in Leiden een uitgeverij-drukkerij exploiteerde, steunde als patroon deze typografische vereniging op ruimhartige wijze.

Dankzij het boek 'Laurens Janszoon Coster was zijn naam' uit 1988, van Lotte Hellinga en Clemens de Wolf, is tegenwoordig het bestaan van de Haarlemse drukker definitief naar het rijk der fabelen verwezen.

In de 1987 heeft de Stichting Drukwerk in de Marge zich zorgen gemaakt over de gevelsteen van Coster. Het pand stond toen op de nominatie gesloopt te worden. De Stichting gaf een zgn. koppermaandagprent uit met een tekst over Arent Hoogenacker, geschreven door Bert van Selm. Gelukkig is het beeld, mede door hun toedoen, behouden op zijn oorspronkelijke plaats.

In het voorjaar van 2014 vernam de Werkgroep Geveltekens dat de gevel en het dak van het pand Haarlemmerstraat 86 verbouwd zouden gaan worden. Aangezien het beeld van Coster op de lijst staat van op te knappen geveltekens zocht de werkgroep contact met ‘Het Bouwfonds’, de eigenaar van het pand.
Het Bouwfonds verleende de werkgroep alle medewerking bij het onderzoek en nam tevens een gedeelte van de kosten op zich.
Het bedrijf Conserf, dat eerder bij de restauratie van de gevelsteen ‘De Gecroonde Hoet’ betrokken was, werd benaderd voor het kleuronderzoek. De verwachting was dat er geen sporen van oude verflagen te vinden zouden zijn, maar dat pakte anders uit. Er is een behoorlijk aantal verfresten geschrapt uit hoekjes en plooien in het gewaad van Coster.
Een tijdje later vernam de werkgroep dat niet alleen de gevel en het dak zouden worden gerenoveerd, maar ook de gehele bovenverdieping. De werkgroep werd in de gelegenheid gesteld de bovenverdieping te bekijken waar nog veel oude constructies te zien, waaronder de schoorsteenkanalen uit de tijd van Hogenacker. Uit onderzoek van John A. Lane, expert op het gebied van de geschiedenis van de boedrukkunst, is gebleken dat Hogenacker niet alleen lettersnijder maar ook lettergieter was. Het directe bewijs dat Hogenacker in zijn pand zijn letters goot zou kunnen komen uit onderzoek van de schoorstenen.
Het gieten van letters heeft weinig te maken met geveltekens, maar de Werkgroep Geveltekens vond dit onderzoek toch zo belangrijk voor de geschiedenis van Leiden dat besloten werd onderzoek te doen naar loodresten in de schoorsteenkanalen.
Met toestemming van ‘Het Bouwfonds’ en met medewerking van John A. Lane, hebben Dik Kompier en Thijs de Vries, monsters genomen uit de rookkanalen.


GT_1239

Thijs vond het bedrijf AKZO-Nobel bereid de monsters te onderzoeken op loodresten, d.m.v. X-ray fluorescence (XRF). De aanwezigheid van lood in de roetmonsters werd wel degelijk aangetoond. Het loodgehalte verschilt van monster tot monster maar het lijkt erop dat voor de knik van de schoorsteen het meeste lood is blijven hangen. Met deze uitkomst is welhaast zeker te zeggen dat Hogenacker in zijn pand letters heeft gegoten. Dat is een grote bijzonderheid in de Nederlanden van de 17e eeuw.


Het pand heeft de status van Rijksmonument.



Bronnen:

Els de Baan, kostuumhistorica: www.changeant.nl
John Bagford, An Essay on the Invention of Printing; with an Account of His Collections for the Same, by Mr. Humtrey Wanley, January 1, 1753 pp. 2402
Lotte Hellinga-Querido en Clemens de Wolf, Laurens Janszoon Coster was zijn naam, Haarlem 1988
John A. Lane, Arent Corsz. Hogenacker (ca. 1579-1636): An account of his typefoundry and a note on his types, in Quaerendo 25 (1995), blz. 83-113, 163-191.
Leidsch Dagblad | 13 januari 1987 | pagina 13
Leids Jaarboekje 1965, H.A. Höweler, Mr. Alexander Le Breton van Doeswerff pp. 106-114.
P.A.J. 0tgaar, J.F.J.G. van Schaik, Sociale onrust in Leiden, 1870-1902, Deel I: 1870-1895
Michiel Roscam Abbing en Pierre Tuynman, Om de eer van Haarlem, in 'De Zeventiende Eeuw' 30 (2014) 1, pp. 40-75
Bert van Selm, Beeld van een lettergieter, 1987, Leiden: De Ammoniet, Stichting Drukwerk in de Marge verspreidde dit op Koppermaandag 12 januari 1987, onder de contribuanten van de Stichting 'Drukwerk in de Marge', omvang 4 blz.
Pancras van der Vlist, Geveltekens Leiden.
A. de Vries, Lotgevallen van Costers woning, Haarlem 1851.

Met dank aan drs. Edwin Johannes de Sterke voor een beter begrip van de Latijnse tekst.

Dit verhaal is opgesteld door de werkgroep Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden. Zie verder colofon
kaart