Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: Den Vergulden Regenbooch 1917

  • Leiden
  • Geschiedenis 1901-1950
  • Gebouwen

Gevelteken, Breestraat 121

DEN VERGULDEN REGENBOOCH


GT_1248 foto H. de Sterke

d9dd952c-26bc-11e3-8bb8-3cd92befe4f8
Breestraat 121 hoek Wolsteeg, Rinck opticien. Voorgevel en deel van de zijgevel gezien vanaf de Stadhuistoren.

INLEIDING
Tegenover het stadhuis, aan het pand van Breestraat 121 zit bovenin een ovale datumsteen met het jaartal 1917. Het geeft aan, dat de voorgevel van het pand dus uit dit jaar dateert. Uit bouwhistorisch onderzoek is gebleken dat de kapconstructie van het pand uit circa 1517 dateert.
Het pand heeft de naam “den Vergulden Regenbooch”.

GESCHIEDENIS VAN BREESTRAAT 121

d9de7c6c-26bc-11e3-82c7-3cd92befe4f8
Breestraat 121 hoek Wolsteeg, ijssalon Aurora. Voorgevel; Foto Gemeente Leiden afdeling Monumentenzorg

We kijken wat de geschiedenis betreft terug tot in de 12e eeuw:
1) Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen, dat reeds in de twaalfde eeuw er sporen waren van bebouwing rond het wijkje, waar ook Breestraat 121 toe hoorde. Het bestond vermoedelijk uit houten huizen en hutten, die ongeveer tot het midden van de huidige Breestraat liepen

2) In de eerste helft van de 13e eeuw vond in de omgeving een ingrijpende reorganisatie plaats; er werd een (nieuwe) terp opgericht van ongeveer de huidige Diefsteeg tot aan de Ketelboetersteeg en die afliep naar enerzijds de tegenwoordige Langebrug en anderzijds de Rijn. De Breestraat werd toen ook verbreed en kreeg daarmee ongeveer zijn huidige vorm. Ook de eerste stenen huizen deden hun intrede

3) De eerste aanwijzingen voor het pand Breestraat 121 zelf zijn nog twee kelders, die vermoedelijk nog uit de 15e eeuw dateren en een houten kapconstructie uit 1517, zo heeft dendrologisch onderzoek uitgewezen

4) De eerste vermelding van het huis in schriftelijke bronnen vond plaats in 1557 en 1561 en wel in kohieren van de tiende penning. Het pand was toen eigendom van wijntapper Michiel Jansz. Omdat Michiel meerdere panden in de Breestraat bezat, is niet duidelijk, of hij het pand zelf bewoonde, of verhuurde

5) Vanaf rond 1581 komt het pand al in meerdere schriftelijke bronnen voor, bijvoorbeeld in het bevolkingsregister (1581), maar ook in het stratenregister en het schoorsteengeldregister, welke laatste twee inzicht verschaffen in het pand. Het pand (vanaf 1581 eigendom van Joost Jacobsz de Bije met zijn vrouw Neeltgen Pietersdr. , (die nog wordt genoemd in 1606)) komt in breedte aan de Breestraat overeen met de huidige voorgevel. Maar in de Wolsteeg is het pand bijzonder diep, maar liefst 48,5 m, wat betekende, dat het zich tot de huidige Lange Brug (tegenover nr 46) uitstrekte en de huizen Wolsteeg 2, 4 en 6 bevatte

6) In 1611 splitsen de erfgenamen dit grote pand op en wordt het in delen verkocht. Aan de Wolsteeg is dit aan Isaack Fransz van der Berch, Cornelis Jansz Mostaert (metselaar) en Jan Gerritz (leidekker). Het hoofdhuis aan de Breestraat werd verkocht aan Adriaen Lourisz van Swaenswijck, die in 1615 in Amsterdam blijkt te wonen en het dus wellicht verhuurde

7) De naam “Den Vergulden Regenbooch” komt voor het eerst voor rond 1623, wanneer Adriaen het pand (het hoofdhuis aan de Breestraat) verkoopt aan zijn jongere broer Nicolaes van Swaenswijck. Niet uitgesloten is, dat de nieuwe naam het sluitstuk is van een grote verbouwing, die eerder had plaatsgevonden.

8) In 1675 verkopen erfgenamen wederom het pand, nu aan Jeronimus de Haes en Margaretha Helena van Swaenswijck. De naam “Den Vergulden Regenbooch” blijkt al weer te zijn verdwenen. Het pand heet nu “De Blaeuwe Sluyer”.

9) Van 1735 tot 1858 is het pand vrijwel onafgebroken als koffiehuis in bedrijf geweest. Dit was niet altijd een onverdeeld succes. Reeds de weduwe van de eerste eigenaar Albertus Otto Roos kon de verplichtingen niet meer opbrengen, en zodoende werd het pand in 1741 bij executie verkocht aan Hester Piaat. Zij verkocht op haar beurt het pand in 1753 door aan Johannes Stronck, maar wederom wegens problemen moest het pand in 1759 bij executie worden doorverkocht. De nieuwe koffiehuis-houder was wel succesvol en hij hield het pand bijna een halve eeuw, tot zijn weduwe Neeltje van Alphen het in 1808 verkocht aan Johannes Jollie. Deze staakte de exploitatie in 1813 en verkocht het pand in 1815 door aan Pieter van den Heuvel. Hij exploiteerde in het pand Koffiehuis “De Twee Kolommen” en bood onderdak aan de nog prille Sociëteit Minerva, waarover later meer. In 1823 wordt het pand door van den Heuvel doorverkocht aan Johannes Adrianus Sleyffers, maar ook bij hem gingen de zaken uiteindelijk niet goed en wederom moest de zaak in 1844 bij executie worden verkocht. Het kwam in handen van Johannes Jacobus van Dooremaalen, die het als laatste als koffiehuis exploiteerde, tot de verkoop in 1858 Opmerkelijk bij van Dooremaalen is het volgende: Rond het midden van de 19e eeuw blijkt in het pand een café te zitten, namelijk café Neuf ou Suisse. Dit wordt genoemd in een werk van de bekende schrijver Nicolaas Beets

10) Na een aantal jaren een slagerij en een tabakshandel te zijn geweest kwam er in 1914 de textielwinkel van Jacob Christiaan Kort, die er tot de tweede wereldoorlog heeft gezeten

11) Na de oorlog zat in het pand de bekende ijswinkel Aurora Tegenwoordig zit in het pand een brillenzaak, Eye Wish Opticiëns en ook de Optical Retailgroep BV

STUDENTENOPVANG; VOORGESCHIEDENIS
Zoals al bij de Geschiedenis van Breestraat 121 vermeld is, speelt het pand een belangrijke rol in de prilste jaren van (de Sociëteit) Minerva kort na het einde van de Napoleontische tijd. Minerva beoogde en beoogt opvang te bieden aan studenten, die in Leiden komen studeren. Tegenwoordig doen ook andere verenigingen dat, bijvoorbeeld Augustinus.

Hoe was dat geregeld vanaf het begin van de Universiteit?
1) Bij de oprichting van de Universiteit in 1575 trekt deze veel internationale studenten aan. Zij wonen bij burgers of professoren thuis. Dit zijn de eerste studentenhuizen.

2) Al gauw organiseren de studenten zich in Nationes, belangengroepen gebaseerd op het land van herkomst. Dit blijft tot halverwege de 18e eeuw bestaan.

3) Rond 1750 gaan studenten zich naar faculteit groeperen (dus meer gericht op het vak, dat ze studeren), Dit worden de z.g. “Groensenaten”. De belangrijkste zijn: Intro Ubique, Duce Minerva en Amicitia

4) Om de strijd om eerstejaars bij de bovengenoemde groensenaten in goede banen te leiden wordt een collegium opgericht (met de deftige naam Collegium Civitatis Academiae Lugduno Batavae Supremum). Als in 1815 een 4e groensenaat toetreedt (Vis unita Fortior) krijgt het collegium een andere naam: O.i.B.S.S. (Collegium Omnium in Belgio Senatum Supremum)

MINERVA; HET RAADSEL VAN DE OPRICHTING VAN DE SOCIETEIT
Er komt behoefte aan verandering
1) Omstreeks 1814, vlak na de Franse tijd, is er onder studenten behoefte om bij elkaar te komen buiten de faculteiten om. Dit leidde tot de sociëteit Minerva, zoals eerder vermeld, gevestigd aan Breestraat 121. Deze sociëteit is het oudste onderdeel van Minerva, wat we nog steeds kennen. Maar met betrekking tot de oprichting van sociëteit Minerva is volstrekt onduidelijk, waar, wanneer en hoe dit gebeurd is. Hoewel de sociëteit pas duidelijk genoemd werd in 1818 (bij een commissie voor handhaving van rechten voor studenten) en de eerste notulen van de sociëteit Minerva zelf pas van oktober 1819 zijn, beroept men zich bij die oprichting vaak op het jaar 1814. Hierbij baseert men zich vooral op een tekst van Jan Kneppelhout, die in één van zijn boeken (onder pseudoniem Klikspaan) stelt: “In 1814 is de eerste Studentensociëteit Minerva opgericht bij Van den Heuvel in de Twee Kolommen. Deze is gedissolveerd in 1818, wanneer eenige oud-leden eene nieuwe opgerigt hebben, welke nu nog bestaat”. Uit deze uitspraak blijkt, dat de huidige sociëteit dus uit 1818 dateert. Maar omdat volstrekt onduidelijk is, wat er precies gebeurd is en waarom een nieuwe sociëteit nodig was, leidde dit tot nogal wat (soms wilde) speculaties. Zo heerst er een opvatting (bijv. bij de schrijvers van het boek: “Minerva voor het leven”), dat opheffing nooit heeft plaatsgehad, dat Kneppelhout zich vergist moet hebben en dat de sociëteit nog gewoon uit 1814 moet dateren. Ze beroepen zich daarbij op ruzies van een andere studentensociëteit (Concordia) met enkele groensenaten en het feit, dat een krant over twee sociëteiten spreekt en dat, na een verbroederingsfeest Concordia niet meer nodig zou zijn geweest en in Minerva zou zijn opgegaan. Deze aanname is zeer prematuur, omdat hiervan geen enkel bewijs is. Bovendien is het zeer aannemelijk, dat Kneppelhout gelijk had, daar in het oudste notulenboek van de sociëteit Minerva, 1819-1837 gesproken wordt van “een voorganger van de sociëteit”. Toch is zeer onduidelijk, wat er echt gebeurd is.

Als we er toch van uitgaan, dat Minerva in 1814 is opgericht, dan beginnen de moeilijkheden pas echt. Het blijkt namelijk, dat het eerste deel van bovengenoemde uitspraak van Kneppelhout onjuist is, of althans geen hout snijdt. Immers, Minerva kan niet in 1814 bij Van den Heuvel zijn opgericht, omdat Breestraat 121 toen nog helemaal niet zijn eigendom was, maar van Johannes Jollie, zoals we eerder in dit artikel hebben kunnen lezen. Van den Heuvel, die in 1814 werkeloos in Den Haag woonde, komt pas bij de verkoop van het pand in 1815 ten tonele. En in de boedelbeschrijving in de notariële acte van 4 maart 1815 (ten behoeve van de verkoop), ten overstaan van Notaris Scheltus, wordt met geen woord gesproken over verhuur aan een sociëteit (wat in een vergelijkbaar geval in een latere verkoop wel gebeurde) en zelfs de naam “de Twee Kolommen”, wordt met geen woord genoemd. We kunnen dan ook veilig aannemen, dat van een sociëteit Minerva in 1814 bij Breestraat 121 absoluut geen sprake is.

Hoewel andere bronnen uit die tijd bijzonder schaars zijn is er toch één enkele aanwijzing. Het betreft een vergadering van één van de Leidse studenteninstituties, namelijk het Collegium Supremum. In de notulen van 22 juni 1814 wordt terloops gesproken over “het oprigten eener sociëteit” (niet nader aangeduid). Dit zou inderdaad Minerva kunnen zijn geweest, maar ook andere sociëteiten , zelfs burgersociëteiten. Samenvattend kunnen we dan de volgende mogelijkheden stellen:

1) Minerva is opgericht in 1814. Maar dat kan dan niet in de Twee Kolommen zijn. Maar waar dan wel? Hierover tasten we in het duister. Er is wel geopperd, dat dit Breestraat 113 zou kunnen wezen. Dit lag dicht in de buurt en was ook een koffiehuis. Maar een feitelijk bewijs of aanduiding ontbreekt volledig. Daar komt nog bij: het is buiten kijf, dat sociëteit Minerva vele jaren in Breestraat 121/de Twee Kolommen heeft gezeten, dus ze zullen reeds na enkele jaren van hun (onbekende) oprichtingspand naar de Twee Kolommen moeten zijn verhuisd. Maar ook hiervan (het verhaal wordt eentonig!!) ontbreekt ieder spoor.

2) Mijns inziens plausibeler is, dat Kneppelhout zich in het jaartal vergist heeft en dat Minerva één of enkele jaren later is opgericht. Maar onduidelijk is dan weer wel, over welke sociëteit het Collegium Supremum het dan gehad moet hebben.

MINERVA: HET VERDERE VERLOOP; VAN SOCIËTEIT TOT VOLLEDIGE VERENIGING

In de jaren 20 en 30 van de 19e eeuw komt er steeds meer kritiek op het superieure gedrag van het collegium O.i.B.S.S. Ook wil men een senaat, die alle studenten van de universiteit vertegenwoordigt. In 1839 wordt buiten alle senaten en het O.i.B.S.S. om een nieuw Collegium opgericht ( het C.A.L.B.S.). Nog in het zelfde jaar wordt dit vervangen door het Leids Studenten Corps (LSC)

3) In 1846 verdwijnt het O.i.B.S.S. Societeit Minerva en LSC vloeien samen
4) In 1900 komt de Vereniging van Vrouwelijke Studenten Leiden (VVSL) aan Rapenburg 65. In dat pand zit nog altijd een gevelteken hierover (zie GT_1592)

5) In de jaren 60 van de afgelopen eeuw gaat het met LSC en VVSL minder goed en ze besluiten tot een fusie. Beginjaren 70 ontstaat de Leidse Studentenvereniging Minerva

DE SOCIETEIT

b51d4e30-26bc-11e3-87f4-3cd92befe4f8
"Schets der Studenten Sociëteit Minverva te Leiden". Gezicht op een groep studenten in de zaal 'de Twee Kolommen' (naar de twee zuilen op de achtergrond) met links het buffet, en leestafel in het midden. Uiterst links schaakspelers. Rechts van het midden op de voorgrond een liggende hond.

Lithografie Springer, L ca. 1835

De sociëteit Minerva heeft nog een groot aantal jaren tot 1837 op huurbasis in de Twee Kolommen aan de Breestraat gezeten. Enkele studenten, die later bekendheid kregen hebben dit pand toen bezocht. De bekendste was Nicolaas Beets, die als jonge student godgeleerdheid tot 1837 reeds een belangrijk deel van zijn bekende werk de Camera Obscura had geschreven onder pseudoniem Hildebrand. Een ander persoon was de latere Mr Amersfoort, die na de drooglegging van de Haarlemmermeer grote bekendheid kreeg bij de ontginning van dit gebied, het gereedmaken voor de landbouw en de stichting van een aantal dorpen, bijv Badhoevedorp.

Rond 1836 kwam er behoefte aan een eigen pand. Na een overgangsperiode van 1837 tot 1844 in Rapenburg 19 (tegenwoordig het Sieboldhuis) verhuisde men naar Breestraat 50, waar men nu nog steeds (in een modern pand) zit

DE HUIDIGE VOORGEVEL EN GEVELTEKEN VAN BREESTRAAT 121

De huidige voorgevel van het pand dateert van omstreeks 1917. Eigenaar was toen Jacob Christiaan Kort, die er een textielwinkel had. De voorgevel is ontstaan na een zeer grondige verbouwing van het hele pand, mede om de winkelinrichting aan de huidige smaak van de tijd aan te kunnen passen. De gevel, met de daarin aangebrachte fraaie ovaalvormige gevelsteen/datumsteen is uitgevoerd in Art-decostijl. Ook is er een duidelijk verschil te zien tussen de voorgevel (aan de Breestraat) en de zijgevel, aan de Wolsteeg, wat nog van oudere datum is. Helaas zijn een aantal gegevens over de bouw en de architect door de stadhuisbrand van 1929 verloren gegaan

Bronnen
1) Tentoonstelling 200 jaar Minerva, Oude Universiteitsbibliotheek, 2014
2) Aanvullende en verklarende hoofdstukken in 1887 op de Camera Obscura uit 1839 van Hildebrand. Een diplomatische weergave met ingrepen van W van de Berg, Henk Eyssens, J.J.Kloek en Peter van Zonneveld, 1998, voor de Deltareeks

3) Bouw- en gebruiksgeschiedenis van het huis Breestraat 121; Bureau voor Bouwhistorisch onderzoek J.F. Dröge; Leiden 1993

4) Inventaris van de archieven van het Leidsche studenten-corps 1799-1972 (1982)

5) Notulenboek der Sociëteit Minerva 1819-1837

6) Kneppelhout (Klikspaan) – Studentenschetsen – commentaar

7) Met dank aan Piet de Baar

Dit verhaal is opgesteld door de commissie Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden. Auteur. J. Hartstra
Voor aanvullingen kunt u contact opnemen met de commissie. zie daarvoor ons colofon
kaart