Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: J.C. Bloem

  • Leiden
  • Geschiedenis 1901-1950
  • Geschiedenis 1951- heden
  • Gebouwen

Gevelteken Langebrug 107


GT_1232
Herdenkingsplaquette voor de dichter J.C. Bloem op de gevel van Langebrug 107.



De dichter Jacobus Cornelis (Jacques) Bloem leefde van 1887 tot 1966. Hij woonde hier op kamers bij de geschiedenisleraar J. Kunst in de tijd dat hij de HBS op de Pieterskerkgracht bezocht.

Deze gedenksteen werd geplaatst door de J.C. Bloem Stichting in 1992 en onthuld door de toenmalige burgemeester Goekoop.
Tekst op de steen luidt:
Hier woonde en werkte /
de dichter /
Mr. J.C. Bloem /
1900-1905


Bekende dichtregels van Bloem:

- Alles is veel, voor wie niet veel verwacht

- Denkend aan de dood kan ik niet slapen, / En niet slapend denk ik aan de dood

- Altijd november, altijd regen, / Altijd dit lege hart, altijd

- Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten, / Voor de rechtvaardiging van een bestaan

- Natuur is voor tevredenen of legen / En dan: wat is natuur nog in dit land?

- Wat is natuur nog in dit land? / Een stukje bos, ter grootte van een krant

- Domweg gelukkig, in de Dapperstraat

- Voorbij, voorbij, o, en voorgoed voorbij (tevens Bloems grafschrift)

- Kom, vul de glazen en denk langer niet, eraan hoe snel de onhoudbare tijd ontvliedt.
Gistren is dood, morgen nog niet geboren – Wat zou ‘t, als ons vandaag genieten liet?

Jacques Bloem werd geboren in een burgemeestersgezin te Oudshoorn (tegenwoordig gemeente Alphen aan de Rijn) waar hij in beschermde sfeer opgroeide. Hij noemde dit later de gelukkigste periode uit zijn leven.
Bloem was een wat wereldvreemde jongen die al vroeg met verzen schrijven begon. Na zijn HBS-opleiding te Leiden moest hij van zijn vader rechten gaan studeren aangezien schrijven geen garantie was voor een regelmatig inkomen.
Met grote tegenzin heeft Bloem deze studie afgerond waarna hij met dezelfde tegenzin in verschillende plaatsen griffier van het kantongerecht werd (Lemmer, Breukelen, Zutphen).
In 1926 trouwde hij met de negentien jaar jongere Clara Eggink (1906-1991), die hij ontmoette toen hij gecommitteerde was bij haar eindexamen van de HBS. Uit dit huwelijk, dat slechts zes jaar stand hield, werd een zoon geboren. Het was een onmogelijke relatie gezien het grote contrast tussen beide personen: zij jong, sportief, dynamisch, mooi en ambitieus - hij dik, vaak dronken, lui en afwezig.
Na het stranden van zijn huwelijk voorzag hij in zijn onderhoud door als nachtredacteur bij de NRC en later als griffier te werken.
In de jaren vijftig woonde hij in het Witsenhuis in Amsterdam.
Clara Eggink en Jacques Bloem hebben elkaar nooit uit het oog verloren, in haar herinneringen aan Bloem (Leven met J.C. Bloem) schrijft ze: ‘wij hadden bij elkaar moeten blijven’. Eind 1957 reisde Eggink rond in de Kop van Overijssel op zoek naar een ligplaats voor haar woonboot ‘De Wijze Uil’. Uiteindelijk vond ze in Kalenberg een inham bij een stuk land waar ook een vervallen boerderijtje stond. Ze haalde Bloem over bij haar te komen wonen om zijn laatste levensdagen in alle rust te kunnen slijten. Ondertussen werd de boerderij opgeknapt en al Bloems boeken, een kleine 20.000 exemplaren, kregen een plaats op de deel.
Van schrijven kwam in de Kalenbergse periode niet veel meer, wel heeft hij in 1964 samen met Johan Polak zijn verzamelde gedichten verzorgd. De laatste jaren was Bloem verlamd en kon nog nauwelijks spreken, helder van geest is hij tot het laatste moment gebleven.

Om zijn werk te eren is in 2001 een prijs ingesteld waaraan zijn naam is verbonden.
De mr. J.C. Bloem-poëzieprijs wordt door de gemeente Steenwijkerland ter beschikking gesteld.


Bronnen:

Stichting mr. J.C. Bloem
Wikipedia

Opgesteld door de Werkgroep Geveltekens van de Historische Vereniging Oud Leiden.
Eventuele aanvullingen voor de tekst kunt u sturen naar geveltekens@oudleiden.nl
kaart