Erfgoed Leiden en omstreken

Info

Verhaal: “In de vaart der volkeren”

  • Leiden
  • Geschiedenis 1901-1950
  • Geschiedenis 1951- heden

Interview met Hilde Jansen, 22 februari 2022

Hilde Jansen werd op 3 februari 1943 geboren in Zaandam. Vader kreeg na de oorlog een baan bij de Arbeiderspers, die een boekwinkel had op de Steenstraat, waar hij verantwoordelijk was voor de verspreiding van Het Vrije Volk en de VARA-gids. Het gezin verhuisde naar de Meidoornstraat, waar Hilde opgroeide en Leidse werd.

Vader was socialist in hart en nieren. Hij was betrokken bij de oprichting van de PvdA en zong “Komt makkers, komt makkers, ten strijde!” met een rode vlag in de verkiezingskaravaan.

Moeder had een licht christelijke achtergrond, waardoor Hilde naar de zondagsschool ging in Staalwijk. Met het kinderkoor van Ex Animo zong ze in de kerstnacht in de kerk.

Dikke kousen
Na de lagere school op de Lorentzkade ging Hilde naar de mms op de Garenmarkt, “een kouwe-kakschool.” Ze vond het er vreselijk. Soms hoorde ze dat er feestjes waren in Huis ter Duin, waar ze niet voor uitgenodigd werd. Na vier jaar hield ze het voor gezien. Haar grote wens was in de verpleging te werken, voor mensen te zorgen. De opleidingen waren intern en in het Diaconessenhuis rondde ze haar opleiding af. Soms was ze er net zo opstandig als destijds op de mms, maar nu omdat de hoofdverpleegsters arrogant en onderdrukkend waren. Het verplichte zusterkoor en het psalmen zingen vond ze niet erg; zingen was fijn. Maar in de stad moeten rondlopen in het voorschreven stijve uniform met de dikke kousen en grote schoenen ging haar te ver. Toen ze zich stiekem in de fietsenkelder omkleedde werd ze betrapt. De straf? Ze mocht geen examen doen om naar het tweede jaar te gaan. Maar vader stapte erop af: “Zijn ze helemaal gek geworden!” De straf werd teruggedraaid.

Aan het feit dat ze, bij de verhuizing van het ziekenhuis van de Witte Singel naar de Houtlaan, het hele zusterhuis moesten schoonmaken en dweilen, was niet te ontkomen. De meisjes hadden het maar te doen.

Op haar 21ste kreeg Hilde haar diploma en ging op de kraamafdeling werken. Ze genoot ervan. Maar niet voor lang. Ze werd zelf zwanger en moest trouwen. Haar ouders en ook de ouders van haar vriendje reageerden goed. Maar haar plan om als verpleegster naar Afrika te gaan, was verkeken.

Vrouwenwerk
Het jonge stel vond een flat in de Diamantlaan. Vierhoog zonder lift en geen prettige buurt. Toen er een tweede kind kwam, verhuisden ze naar de Topaaslaan. Ze hadden het gezellig met elkaar, maar Hilde miste haar oude vriendinnen die allemaal werkten en het huisvrouwenbestaan vond ze wel erg beperkend. Omstreeks 1972 zette ze samen met buurtgenoten een peuterspeelzaal op. Ongebruikelijk in die tijd. Je was een slechte moeder als je je kind naar een speelzaal deed.

Opnieuw verhuisden ze, nu naar de Merenwijk, maar het huwelijk hield geen stand. “Ja, het kwam echt door mij, ik moest me gewoon ontwikkelen, ik had ruimte nodig.”

Hilde vond werk in de peuteropvang. Ze had het er naar haar zin en begon moedergroepen te organiseren, waar vrouwen konden praten over zichzelf en de maatschappij. Toen ze zich realiseerde dat dit veel leek op de bestaande VOS-cursussen (Vrouwen oriënteren zich op de samenleving), ging ze daar - na een training - vrijwillig werken als leidster.

Later stapte ze over naar het volwassenenwerk in het Volkshuis waar ze een betaalde baan kreeg. Het volwassenenwerk bleek nogal stoffig, dus toen Hilde haar kans kreeg, begon ze samen met een gelijkgestemde “in de vaart der volkeren” de cursussen te moderniseren: Open Schoolactiviteiten, zelfverdediging, assertiviteitstrainingen. Op de feministische toer, maar ook voor mannen.

Ze richtte een vrouwencafé op, waar vrouwen konden binnenlopen voor informatie en activiteiten. Het bleek dat niet alle echtgenoten ‘toestonden’ dat hun vrouwen cursussen gingen volgen, ook mishandeling door de wederhelft kwam aan het licht.

Met het vrouwencafé waren ze hun tijd vooruit, want pas later kwam het Vrouwenhuis. De sfeer was er anders. “Ik ging er wel eens naartoe als er een thema-avond was. Ik hoorde niet echt tot de harde kern, ik was geen lesbische vrouw, ik had geen tuinpak aan. Maar als er een feest was ging ik er wel met vriendinnen naartoe; dat waren hele leuke feesten.”

De activiteiten in het Volkshuis breidden zich uit en in 1990 werd Hilde Jansen algemeen coördinator.

Het jongerenwerk werd afgesplitst omdat er jongens kwamen die in de jaszakken van de vrouwen naar portemonnees en sleutels zochten. Die groep verhuisde naar de Breestraat.

Mevrouw Jansen had goed contact met de buurthuizen. Met de Leidse Welzijnsorganisatie en haar ‘managers’ lag het wat ingewikkelder.

De verbouwing van het Volkshuis in 1999 was een zware aanslag op haar energie. Ze was er intensief bij betrokken en zorgde dat de cursussen door konden gaan. Het werd mooi. Er kwam ook nog een groot feest voor het 100-jarig bestaan en toen was de energie een beetje op. Ook thuis was het zwaar. Ze was mantelzorger voor haar tweede man Rard. Hij had MS, was rolstoelgebonden, maar hielp desondanks bij de organisatie van het feest.

Op haar 60ste kon mevrouw Jansen vervroegd uittreden. Na een groot afscheidsfeest kon ze wat bijkomen. Met haar man reisde ze door Afrika, ze ging schilderen en schreef zich in bij de Kunstacademie. Voor een tv-programma heeft ze jaren later nog even in het Volkshuis rondgelopen. Een schokkende ervaring. In het ooit zo bruisende gebouw gebeurde helemaal niets. Op woensdagmiddag was er een activiteit voor kinderen. Toen zijn er dan maar op die dag opnamen gemaakt.

Raad en daad
Vóór mevrouw Jansen het gevoel kon krijgen in een zwart gat te zijn gevallen, klopte de plaatselijke PvdA bij haar aan: “Hilde, we willen je graag op de lijst hebben.” Even twijfelde ze, maar vervolgens werd ze met veel voorkeursstemmen in de gemeenteraad gekozen. Acht jaar is ze met plezier raadslid geweest, hoewel ze moeite had met de politieke stroperigheid.
Bijzondere aandacht had ze voor de in Leiden wonende vluchtelingen. Veel asielzoekers hadden wel huisvesting gekregen, maar geen werk en geen uitkering. Met alle partijen, behalve de VVD, vormde ze een overleg. “We moeten niet óver die mensen praten, we moeten kijken of we ze erbij kunnen betrekken,” zei ze. Dat gebeurde. Het waren mannen en vrouwen die hier al jaren waren; ze spraken goed Nederlands en waren actief.

Mevrouw Jansen werd voorzitter van de groep die zich Leiden tegen uitzetting noemde. Ze organiseerden een manifestatie op het Stadhuisplein en trokken met spandoeken naar Den Haag. Het doel was een generaal pardon.

Op een dag kwam Rita Verdonk, die asielverzoeken wilde afwijzen, naar een politiek café van de VVD. Mevrouw Jansen belde een bevriende bloemenbindster. Samen hebben ze 60 rozen - voor elke Leidse asielzoeker één - gebroken, en het geknakte boeket aan Verdonk aangeboden.

De acties hadden succes. De asielzoekers die langer dan 15 jaar in Nederland woonden, kregen een verblijfsvergunning. In een grote bijeenkomst in het stadhuis sprak burgemeester Lenferink iedereen toe en er werd gezongen. Op dat moment was er geen enkele uitgeprocedeerde vluchteling meer in Leiden. Het Leidse pardon was wel een eenmalige actie.

Omdat mevrouw Jansen er al zo betrokken bij was, werd ze voorzitter van de STUV, Stichting Uitgeprocedeerde Vluchtelingen. Na haar gemeenteraadlidmaatschap zat ze in allerlei adviescommissies en was ook nog voorzitter van vrouwenopvangcentrum Rosa Manus. Ze werd overal voor gevraagd en zei overal ja op, tot haar man heel erg ziek werd. Alleen de vluchtelingen wilde ze wel graag blijven doen. Samen met anderen heeft ze een Bed-Bad-Brood opgezet in Leiden. Na vijf jaar was het geld op en werden de mensen op straat gezet. Mevrouw Jansen was geen voorzitter meer, maar opeens stonden er 10 donkere mannen in haar tuin: “Help ons alsjeblieft!” Ze heeft een brandbrief aan de burgemeester gestuurd, de krant ingeschakeld, maar het mocht niet baten. Samen met De Bakkerij en andere organisaties werd het Comité Opvang Ongedocumenteerden Leiden opgericht. Er kwam praktische hulp, maar ze bleven illegaal. “Zo blijf ik lekker bezig…”, zegt mevrouw Jansen.

Niet de baas
Op de vraag hoe ze zoveel heeft kunnen bereiken, zegt ze: “Samenwerken, motiveren en enthousiasmeren. Ik denk dat dat mijn sterke kant is. Nu nog steeds eigenlijk. Als ik iets voor elkaar wil krijgen doe ik dat ook nooit in mijn eentje. Het is nooit ik, ik, ik. Het is altijd met een team, met mensen. Met het vrouwenkoor Er Welt Een Traan is dat hetzelfde. Ik heb het wel opgericht en speel accordeon, maar ik ben niet de baas of zo.”

Het koor bestaat al 21 jaar. Om beurten zingen ze hun smartlappen bij iemand thuis, gezellig met hapjes en zo. En soms gewoon op straat. Een groot feest, waarvoor al folders en een cd waren gemaakt, ging niet door vanwege corona, maar met 3 oktober wordt er weer opgetreden, samen met het zeemanskoor Rumor di Mare. Ook zijn er opnieuw plannen voor Oerol. De camping is al besproken.

En op de Internationale Vrouwendag? Zingen in het Volkshuis!

“Dat dan weer wel, gelukkig.”

De geluidsopname van het interview is hier te beluisteren.

Een volledige transcriptie van het interview is hier te vinden.

Interview door de commissie De Stem van Leiden, die onderdeel is van de Historische Vereniging Oud Leiden en samenwerkt met Erfgoed Leiden en Omstreken en de Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden.

Reacties op dit verhaal kunt u sturen naar destemvanleiden@oudleiden.nl

Meer verhalen van De Stem Van Leiden vindt u in de INDEX.
kaart